Sefardische Joden

Sefardische Joden of Sefardim (Hebreeuws: ספרדי, Standaard Səfardi Tiberiaans Səp̄arədî; meervoud: ספרדים, Standaard Səfaradim Tiberiaans Səp̄arədîm) zijn Joden wier voorouders in Spanje en Portugal leefden. In 1492 werden zij als gevolg van het verdrijvingsedict gedwongen Spanje te verlaten, dan wel zich tot het christendom te bekeren. In 1497 werden de Sefardim in Portugal voor dezelfde keuze gesteld. Hiermee kwam een einde aan een periode van openlijke Joodse aanwezigheid op het Iberisch Schiereiland, die in ieder geval teruggaat tot vóór de Romeinse verovering van Iberië.

De term Sefardim is afgeleid van het Hebreeuwse woord "Sefaràd", dat Spanje betekent. De taal van de Sefardim is het Ladino, een aan het Spaans verwante taal met veel Hebreeuwse woorden. Deze taal is echter bijna uitgestorven: Sefardische Joden spreken nu voornamelijk (in Israël) Modern Hebreeuws en ook in andere landen de landstaal.

De Sefardische Joden stonden in West-Europa vaak meer in aanzien dan de Asjkenazim, de Joden uit Oost-Europa. De Sefardim speelden een rol in bankwezen en wetenschap. Een aantal van hen werd in de adelstand verheven, zoals de familie Lopes Suasso.

Sepharadic Migrations
Sefardische migratie van het Iberisch schiereiland

Mizrachi / Mizrahi Joden

In een bredere zin wordt de term 'Sefardisch' ook gebruikt voor de Mizrachi-Joden (Mizrahi). Dit zijn de Joden die al vanouds in het Midden-Oosten en de Arabische wereld wonen, in landen zoals Perzië, Syrië en Irak. Echter, hun gebedenboeken verschillen van die van de Sefardische Joden afkomstig uit Iberië, evenals hun cultuur. Mizrachi Joden spreken Arabisch en Joodse dialecten, zoals Joods-Perzisch (Jidi) of Joods-Aramese dialecten.

Sinds de oprichting van de staat Israël zijn de gemeenschappen van de Mizrahi in hun oorspronkelijke landen vrijwel allemaal nagenoeg verdwenen. De hedendaagse Mizrahi in Israël zijn veelal geïntegreerde Israëli en ook in Israël geboren (zogenaamde Sabras). De Mizrahi in Israël resorteren onder het Sefardische opperrabinaat.

De geschiedenis van de Sefardim tot aan de verdrijving uit Iberië

Wanneer de eerste Joden zich in Iberië vestigden, is onduidelijk. Volgens verschillende legendes zouden er al sinds de tijd van koning Salomo Joden in Spanje leven die toen handelden met het eveneens legendarische Tarsis.

De Romeinse tijd

Vast staat dat ten tijde van de Romeinse verovering van Iberië (vanaf de tweede eeuw voor Christus) al Joden in Iberië en Zuid-Frankrijk leefden waar ze betrekkelijk vreedzaam konden leven. Zij zouden als handelaren naar die gebieden zijn gemigreerd

De Visigotische tijd

In het begin van de heerschappij van de Visigoten (vanaf de vierde eeuw na Christus) kon de Joodse bevolking van Iberië naar wordt aangenomen in redelijke vrijheid leven. Dit veranderde in de loop der tijden echter, vooral nadat de Visigotische heersers in 589 van het ariaanse christendom naar het katholieke christendom waren overgegaan. Het kwam in die tijd zelfs tot een verbod op het joodse geloof, maar onduidelijk is of dat verbod in de praktijk ook werd uitgevoerd.

De Moorse tijd

De Sefardim verwelkomden de Moorse inval in Zuid-Spanje (712) en de daaropvolgende verovering van een groot deel van het Iberische Schiereiland omdat zij hoopten in meer vrijheid te kunnen leven dan ten tijde van de Visigotische heerschappij. Die hoop bleek bewaarheid te worden: ten tijde van de Moorse heerschappij van Spanje leefden de Sefardim gedurende langere perioden in relatieve vrijheid en de Sefardische gemeenschap maakte een bloeitijd door op cultureel, filosofisch, wetenschappelijk en theologisch terrein. Ook in de Moorse tijd kwamen echter perioden voor zoals tijdens het kalifaat van de Almohaden waarin de geloofsvrijheid ernstig onder druk kwam te staan.

De Reconquista en de verdrijving uit Iberië

De situatie van de Sefardim verslechterde echter definitief toen hun woongebieden, gedurende de Reconquista (herovering) van Spanje, door de christenen geleidelijk werden veroverd op de Moren. In deze gebieden kwamen de Sefardim in het algemeen zwaar onder druk te staan. In verschillende delen van het land werd wetgeving ingevoerd die ertoe moest leiden dat de Sefardim gemarginaliseerd werden van de rest van de bevolking. Ook kwam het op grote schaal tot pogroms die velen het leven kostten en vele Sefardim voelden zich gedwongen zich tot het christendom te bekeren om het vege lijf te redden. In 1492 eindigde met de inname van Moors Granada door het katholieke koningspaar uiteindelijk de Reconquista van Spanje. In datzelfde jaar vaardigden zij het Verdrijvingsedict uit als gevolg waarvan de Sefardim definitief gedwongen werden Spanje te verlaten, dan wel zich tot het christendom te bekeren. Zij die zich niet tot het christendom bekeerden, vertrokken voornamelijk naar Portugal (dat toen een zelfstandig koninkrijk was), het Ottomaanse Rijk en Noord-Afrika. Een kleinere groep vertrok naar de Nederlanden, Frankrijk, Italië en Engeland.

In 1497 werden echter de Sefardim in Portugal voor dezelfde keuze gesteld als een aantal jaren daarvoor in Spanje. Het precieze aantal Sefardim dat Iberië ontvluchtte, is onduidelijk. Aangenomen wordt dat in totaal naar schatting zo'n 200.000 Sefardim het Iberisch Schiereiland ontvluchtten.

De omvang van de Joodse bevolking van Iberië rond de tijd van de verdrijving staat niet precies vast. De schattingen lopen uiteen van zo'n 100.000 tot zo'n 300.000 personen. De groep was daarmee een aanzienlijke minderheid van de totale Iberische bevolking. Hoeveel personen zich tot het christendom bekeerden en hoeveel Iberië verlieten, staat ook niet precies vast. Aangenomen wordt dat een meerderheid van de Sefardim Iberië verlaten heeft.

Van de Sefardim die naar Nederland kwamen, vertrok een deel naar de Nederlandse Antillen en Brazilië, waar de West-Indische Compagnie toentertijd een kolonie had gesticht. Een deel van de Braziliaanse Joden vluchtte later naar Suriname en de Nederlandse Antillen, waar zij weer handelsbetrekkingen opbouwden met hun verwanten in Nederland.

De Sefardim die zich tot het christendom bekeerden, werden Conversos, Nieuw Christenen, Anusim of smalend Marranos (zwijnen) genoemd. Conversos werden veelvuldig door de Inquisitie vervolgd onder de beschuldiging dat zij heimelijk joods zouden zijn gebleven. Zij die dit inderdaad bleven, worden cryptojoden genoemd. Naar aanleiding van de permanente onzekerheid die met de vervolging door de Inquisitie samenhing, ontvluchtten veel conversos later Iberië alsnog. In tegenstelling tot wat veelal wordt aangenomen, vervolgde de Inquisitie vóór de uitvaardiging van het verdrijvingsedict geen Joden die zich niet tot het christendom bekeerd hadden. De Inquisitie had over hen namelijk geen jurisdictie. Dat neemt niet weg dat de Katholieke Kerk in de door de Reconquista weer onder christelijke heerschappij gekomen Spaanse gebieden de niet-Joodse bevolking tegen de Sefardim opstookte als gevolg waarvan het regelmatig tot pogroms kwam.

De nakomelingen van de Sefardim dragen heden ten dage vaak nog Spaanse of Portugese namen en onderscheiden zich inzake riten en gebruiken van andere Joodse groepen, zoals de Midden- en Oost-Europese Asjkenazim. Voorbeelden van Sefardische namen zijn Suaso da Lima da Prado, Belinfante, Bueno de Mesquita, del Castilho, Mendes, Pimentel, Vas Dias, Texeira, Texeira de Mattos, Querido, Rodrigues de Miranda, Coutinho, Da Pinta, Cohen de Herrera, De Castro, De Pinto, Gomes, Peres, da Costa, Pereira, Spinosa, Sosa, Salvador, Udo; enz. Een bekende Sefardische Jood was de filosoof Spinoza, die vanwege zijn denkbeelden echter uit de toenmalige Sefardische gemeenschap van Amsterdam werd verstoten.

Recht op terugkeer

Ruim 515 jaar na het Verdrijvingsedict hebben de afstammelingen van de Sefardim onder voorwaarden recht gekregen op de Portugese of Spaanse nationaliteit. Ze hoeven daarvoor niet de nationaliteit van hun huidige woonland op te geven.

In april 2013 nam het parlement van Portugal unaniem een wet aan die dit recht vestigde, en in juni 2014 deed het Spaanse kabinet hetzelfde. Sefardim die een beroep doen op deze wetten moeten erkend zijn door een commissie of een rabbijn in hun woonland, moeten de Portugese of Spaanse taal machtig zijn en moeten een cultuurtest afleggen. Toen de Spaanse wet op 1 oktober 2015 in werking trad, hadden 4302 personen aan deze eisen voldaan. Zij waren vooral ingezetenen van Marokko, Turkije en Venezuela.[1]

De Nederlandse Sefardim

In de nieuwe vestigingslanden kwamen de Sefardim - getrouw hun gewoonte - vaak in de handel terecht. In Nederland werd dat nog eens extra gestimuleerd omdat gilden (in die tijd verbonden van ambachtslieden) geen Joden toelieten. Er restte de Sefardim dus ook niets anders dan handel en/of bankzaken. Een aantal van de Sefardim die naar de Nederlanden kwamen, waren relatief welvarend. Hun welvaart kwam onder meer tot uitdrukking in de bouw van de Portugese Synagoge in Amsterdam.

Tot de 18e eeuw ging het de meeste Sefardim in Nederland voor de wind. Na de Gouden Eeuw kregen de handelaren het moeilijker omdat Nederland in een economische malaise terechtkwam. Tot de 18e eeuw, en in mindere mate in de 19e eeuw, speelden Sefardim in Nederland een belangrijke rol in het culturele leven. De Synagoge Kahal Zur Israel die de Sefardim in 1636 in Recife bouwden, in de toenmalige Nederlandse kolonie Nieuw-Holland, wordt beschouwd als de oudste synagoge van de Nieuwe Wereld.[2]

Koning Willem I der Nederlanden erkende Joodse adellijke titels die door andere vorsten waren toegekend, zoals de ridder Abraham Salvador die een Nederlands jonkheer werd.[3]

Net als de andere Joden in Nederland werden ook de Sefardim het slachtoffer van de Duitse bezetting. De nazi's hebben duizenden Sefardim van al hun bezit beroofd, gedeporteerd en vermoord. De tot de Nederlandse adelstand behorende Sefardische Joden, zoals de nakomelingen van Manuel Lopes Suasso werden met name vervolgd.

In 2009-2014 promoveerde Jaap Cohen op een oderzoek naar de geschiedenis van de Portugese Joden in de late negentiende en twintigste eeuw, aan de hand van de geschiedenissen van de familie Jessurun d’Oliveira-Rodrigues Pereira. Hij besteedde in het bijzonder aandacht aan het zelfbeeld van de Portugese Joden, hun relatie met de Hoogduitse Joden, en hun positie binnen de Nederlandse samenleving.[4]

Bekende Nederlandse Sefardim

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Reformatorisch Dagblad 3 okt. 2015
  2. Synagogue in Brazilian town Recife considered oldest in the Americas, Haaretz, 12 november 2007
  3. Ab Caransa Vrijmetselarij en jodendom, Hilversum 2001; p.117
  4. De families Jessurun d’Oliveira en Rodrigues Pereira. NIOD. Geraadpleegd op 30 september 2019.
  5. Miljonair Maurits 'Maup' Caransa (93) overleden, Elsevier 8 augustus 2009 (via Wayback Machine)
  1. Reformatorisch Dagblad 3 okt. 2015
  2. Synagogue in Brazilian town Recife considered oldest in the Americas, Haaretz, 12 november 2007
  3. Ab Caransa Vrijmetselarij en jodendom, Hilversum 2001; p.117
  4. De families Jessurun d’Oliveira en Rodrigues Pereira. NIOD. Geraadpleegd op 30 september 2019.
  5. Miljonair Maurits 'Maup' Caransa (93) overleden, Elsevier 8 augustus 2009 (via Wayback Machine)
Jodendom (Portaal)Menora

Joden · Parochet · Misjna · Tosefta · Kabbala · Literatuur · Halacha · Mitswa · Tsedaka · Kasjroet · Briet · Ketoeba · Sjabbat · Gebed · Feestdagen · Maanden · Jaartelling · Geschiedenis · Ark · Sjoel · Rabbijn · Chazan · A tot Z
Boeken: Talmoed · Tenach · Thora
Heiligdommen: Tabernakel · Tempel van Salomo · Tempel van Ezra en Herodes · Tempel van Ezechiël · Tempel

Aron hakodesj

De aron hakodesj of aron ha-kodesj (Hebreeuws: אָרוֹן הָקׄדֶש, "heilige ark"), ook wel kortweg aron of Heilige Arke genoemd, is de kast of nis in een synagoge (sjoel) waarin de vijf Thorarollen bewaard worden.De benaming aron hakodesj refereert aan de Ark van het Verbond, die in het Heilige der Heiligen in het Tabernakel en de Joodse tempel in Jeruzalem stond. Onder Sefardische Joden wordt ook wel de benaming hekhál of hechal gebruikt, een verwijzing naar het binnenste gedeelte van de tempel in Jeruzalem, dat onder andere het Heilige der Heiligen bevatte.

De traditie is zeer oud. De 3e-eeuwse Synagoge van Dura Europos, beschouwd als de oudste bewaard gebleven synagoge ter wereld, had al een aron hakodesj. In sommige oudere synagoges, zoals de 5e-eeuwse synagoge in de Perzische stad Susia, werden de Thorarollen niet in de aron hakodesj bewaard maar in een aparte kamer naast de synagoge.

Asjkenazische Joden

De Asjkenazische Joden (Hebreeuws: Asjkenazim - אשכנזים) vormen een cultureel-religieuze groep binnen het jodendom. Ze worden onderscheiden van de Sefardische Joden en Mizrahi Joden, andere cultureel-religieuze groepen binnen het jodendom. De aanduiding Asjkenazisch of Asjkenazim werd door Joden in de middeleeuwen gebruikt voor Duitsland, meer in het bijzonder naar het gebied rond de Rijn.

Bloedbad van Hebron (1929)

Het Bloedbad van Hebron was een bloedbad aangericht door Arabische inwoners van Hebron onder de joodse bevolking van de stad in het toenmalige Britse mandaatgebied Palestina op 23 en 24 augustus 1929. Hierbij werden 67 joden vermoord, 55 Ashkenazische joden en 12 Sefardische joden en raakten ruim 50 mensen gewond.

Edah HaChareidis

De Edah HaChareidis (Hebreeuws: העדה החרדית) is een overkoepelende organisatie van anti-zionistische, chareidisch-joodse bewegingen in Jeruzalem. Zowel chassidische als litvishe joden zijn erin vertegenwoordigd. Een andere titel is de Badatz wat slechts een afkorting voor Beis Din Tzedek (rechtvaardig rabbinaal gerechtshof) is die in principe voor iedere rabbinale rechtbank gebruikt kan worden; maar wanneer men over 'de Badatz' spreekt, gaat het over de Edah HaChareidis.

Gracia Mendes Nasi

Gracia Mendes Nasi (Lissabon, 1510 - Constantinopel, 1569), ook bekend als Beatriz de Luna Miques, was een zeer rijke Portugese Jodin. Ze was aangetrouwd aan het invloedrijke huis Mendes en de tante van Josef Nasi. Haar familie kwam oorspronkelijk uit Aragon en behoorde tot de Sefardische Joden. De familie vluchtte in 1492 naar Portugal ten gevolge van het verdrijvingsedict.

In 1528 trad Gracia in het huwelijk met Francisco Mendes. Eerst trouwden ze in het openbaar op rooms-katholieke wijze. Vervolgens vond een cryptojoodse ceremonie plaats. Francisco had samen met zijn broer Diogo een invloedrijk handelsbedrijf en een internationaal bekende bank met agenten door heel Europa en in het Middellandse Zeegebied. Ze kregen een dochter, Reyna, waarna Francisco in 1538 stierf. Diogo had een kantoor geopend in Antwerpen en Gracia voegde zich daar bij hem. In 1542 stierf hij eveneens. Na zijn dood nam Gracia de leiding van het imperium op zich en werd ze een zeer succesvolle zakenvrouw. Ze werd erg rijk en invloedrijk, zodat ze ook invloed kon uitoefenen op burgerlijke en kerkelijke machthebbers. Ze gebruikte die positie om de cryptojoden te beschermen en om te helpen bij het vrijkopen van gijzelaars. Middels betalingen aan de paus wist ze de Inquisitie in Portugal te vertragen. Mogelijk heeft zij een grote rol gespeeld bij de publicatie van de Ferrara Bijbel, een vertaling van de Tenach in het Ladino die verscheen in 1553 te Ferrara. Een deel van de oplage, namelijk het deel dat speciaal voor de Sefardische Joden was bedoeld, werd aan haar opgedragen.

In 1544 vluchtte Gracia naar Venetië. Daar bleef ze wonen totdat ze in 1551 opnieuw moest vluchten. Ze trok naar Ferrara, waar ze voor het eerst in haar leven openlijk Jood kon zijn. Vanaf toen ging ze ook haar werkelijke, Joodse, naam gebruiken. In 1553 verhuisde ze naar Ottomaans gebied, waar ze haar dochter Reyna uithuwelijkte aan haar neef Josef Nasi. In 1556 beval de paus dat een groep Portugese Sefardische Joden moest worden omgebracht op de brandstapel. Gracia reageerde daarop door de haven van Ancona in de Kerkelijke Staat te laten boycotten.

Gracia liet synagoges, jesjiva's en ziekenhuizen bouwen. Een van die synagoges staat er nog en is naar haar genoemd. In 1558 huurde ze Tiberias, in het huidige Israël, van sultan Suleiman, voor een jaarlijkse prijs van 1000 dukaten. In 1561 kwam haar neef Josef aan de macht in Tiberias en Safed, waar hij werkte aan huisvesting voor Joden, die in een groot deel van Europa vervolgd werden.

Jodensavanne

Jodensavanne is een voormalige woonplaats van Sefardische Joden in Suriname, ongeveer 50 kilometer ten zuiden van Paramaribo. De plaats ligt in het district Para bij de Cassiporakreek, een zijrivier van de Surinamerivier, en wordt sinds 1832 niet meer permanent bewoond.

Joodse begraafplaats (Alkmaar)

De Joodse begraafplaats aan de Westerweg in Alkmaar werd omstreeks 1740 gesticht. Eerder begroeven de Sefardische Joden, die zich vanuit Amsterdam in Alkmaar vestigden, in het nabijgelegen Groet. Dat was nog vóór de tijd dat Beth Haim werd gesticht. De Sefardische Joden vertrokken weer uit Alkmaar en in de loop van de zeventiende eeuw vestigden de Asjkenazische Joden zich in Alkmaar. In 1808 kreeg de gemeente een eigen synagoge aan de Hofstraat. Het gebouw bestaat nog steeds, en was na de Tweede Wereldoorlog tot 2009 eigendom van de baptisten. Al voor de Tweede Wereldoorlog slonk de gemeente, maar ze kon na de oorlog toch blijven bestaan. De begraafplaats telt ongeveer 350 grafstenen en wordt door vrijwilligers onderhouden. De begraafplaats en het metaheerhuisje zijn een rijksmonument.Op woensdag 23 december 2009 is de Alkmaarse synagoge weer terug gekeerd in joodse handen. Aan de Hofstraat in Alkmaar werd door drie partijen, de S.A.S. Baptisten Gemeente en de Gemeente Alkmaar, een overeenkomst getekend, waardoor de Stichting Alkmaarse Synagoge (S.A.S.) eigenaar werd van de sjoel.

Joodse begraafplaats (Amersfoort, Bloemendalsestraat, Asjkenazisch)

De Joodse begraafplaats ten westen van de Bloemendalsestraat is een begraafplaats die aanvankelijk bedoeld was voor de zogenaamde Hoogduitse of Asjkenazische Joden.

Deze begraafplaats is gelegen op een voormalig bolwerk, tegenover de -later in vergetelheid geraakte- begraafplaats voor Sefardische Joden.

Nadat de eerste Asjkenazische Joden zich in 1664 in Amersfoort vestigden, kochten zij in 1700 een stuk grond tegenover de begraafplaats voor Sefardische Joden, aan de westzijde van de Bloemendalseweg. Deze begraafplaats bleef in gebruik tot 1883. Hierna begroeven de Amersfoortse Joden hun doden op de Joodse begraafplaats aan de Soesterweg, en deze begraafplaats is tot heden in gebruik.

De begraafplaats aan de Bloemendalsestraat is behouden gebleven en bevat een 150-tal staande zerken, deze zijn in afgelopen jaren gedigitaliseerd.

Kwamina (schrijver)

Kwamina, pseudoniem van A. Lionarons (hoogstwaarschijnlijk Alexander Lionarons (?Paramaribo, 3 mei 1827 - ?, ca. 1913) was een Surinaams schrijver en onderwijzer.

Lionarons kwam voort uit een geslacht van Sefardische joden die in 1654 vanuit Brazilië naar Suriname kwamen. Hij werkte als onderwijzer te Paramaribo. Onder de naam Kwamina publiceerde hij de eerste twee Surinaamse romans, beiden met historische stof ontleend aan de 19de eeuw. Jetta: schetsen en beelden uit een vreemd land (1869) was een verhaal dat zich tegen een actuele achtergrond afspeelde: het verval van de plantages, de oriëntatie op een ander economisch stelsel, de opkomst van een ander type kolonist dat zich minder aanpaste en eerder repatrieerde. Nanni of Vruchten van het Vooroordeel (1881) is een verhaal vol liefdesintriges rond een welvarende mulattin in de bovenlaag van de koloniale maatschappij. Onder de naam Kwamina verscheen voorts de schets `Paramaribo (Hoofdstad van de Kolonie Suriname)' in het tijdschrift Eigen Haard van 1913.

Ladino (Sefardische taal)

Ladino of Judeo-Spaans (Djudeo-Espanyol) is de taal die gebruikt wordt door de Sefardische Joden in de diaspora. De taal is sterk verwant aan het Spaans (vergelijkbaar met het aan het Duits verwante Jiddisch).

Millet (Ottomaanse Rijk)

Een millet (Osmaans: ملت) (van het Arabische woord millah = natie) was een religieuze gemeenschap in het Ottomaanse Rijk. De leden van de millet moesten zich houden aan wat de religieuze autoriteiten van hun religie voor hen bepaalde dat wat juist was en genoten een grote mate van autonomie qua persoonsgebonden zaken. Op godsdienstig en juridisch vlak moesten ze evenwel de suprematie van de soennitische islam erkennen.Binnen het Ottomaanse Rijk waren de vier belangrijkste millets de moslims, de Grieken, de Armeniërs en de joden. De godsdienst was meer bepalend dan hun etniciteit.

De moslim-millet heette ook wel de millet-i hakime, de dominante millet. Hier hoorden niet alleen Turken bij, maar ook Arabieren, Berbers, Koerden en verschillende groepen uit de Balkan en de Kaukasus.De tweede millet was die van de Grieken. Naast etnische Grieken behoorden hier ook volgelingen van andere Orthodoxe Kerken toe, zoals de Serven en Bulgaren. De Roemenen, christelijke Arabieren en Turken behoorden hier eveneens toe.De derde millet was die van de Armeniërs. Dit waren vooral Armeniërs maar ook Kopten uit Egypte en Jakobieten uit Syrië.De joodse millet was de kleinste van deze vier en tot deze millet behoorden alle inheemse joden in het rijk (exclusief Sefardische joden die vrijwillig naar het Ottomaanse Rijk waren gekomen).Het Ottomaanse millet-systeem wordt beschouwd als een vroeg voorbeeld van het premoderne religieuze pluralisme.

Niet alle bevolkingsgroepen in het Ottomaanse Rijk maakten deel uit van een Millet. West-Europese handelaren (Levantijnen), Sefardische Joden en Pontisch Griekse mijnwerkersgemeenschappen vielen niet onder een eigen Millet, maar werden beschermd door uitgebreide overeenkomsten (capitulaties) met vreemde mogendheden of door de specialisatie van hun beroep.

Mitnagdiem

De mitnagdiem (Hebreeuws: מתנגדים, letterlijk: tegenstanders; Asjkenasische/Jiddische uitspraak misnagdiem) of Litouws jodendom (Hebreeuws:יהודת ליטאית) is een richting in het jodendom die in Litouwen ontstond en tegen het chassidisme inging. Het dient te worden onderscheiden van de joodse gemeenschap van Litouwen. Veel gebruikte verengelste Jiddische termen zijn litvish en yeshivish en het Hebreeuwse litai.

Tegenwoordig worden mitnagdiem, 'Litouws jodendom' en de bovengenoemde varianten gebruikt voor het hele charedisch jodendom dat niet chassidisch is. Een aanzienlijk gedeelte van de aanhangers (in Israël het merendeel) zijn sefardische joden. Deze worden echter ook wel als een aparte categorie gezien; zie sefardische orthodoxie.

Bovendien willen niet alle mensen die in het algemeen tot de richtingen van het 'Litouwse jodendom' behoren mitnagdiem worden genoemd, bijvoorbeeld omdat ze niet tegen het chassidisme zijn, niet negatief willen worden omschreven of niet worden gemeten aan een jongere richting in het jodendom. Hoewel er een duidelijke reactie was naar aanleiding van de ontstaan van het chassidisme (en dan meest bekend in Litouwen) is deze richting ook de voortzetting van het (althans asjkenazische) normatieve jodendom van voor het chassidisme.

Pied-noir

Pied-noir (vert. uit Frans: zwartvoet), meervoud pieds-noirs, is een term die wordt gebruikt om de kolonisten (colons) in Algerije aan te duiden tot het einde van de Frans-Algerijnse oorlog in 1962. In een bredere betekenis wordt de term ook gebruikt voor Fransen die Marokko of Tunesië verlaten hebben toen die landen onafhankelijk werden.

De zwartvoeten waren Franse nationalisten, Sefardische Joden en kolonisten uit andere Europese landen zoals Spanje, Italië en Malta, die geboren werden in Algerije. Vanaf de Franse invasie in 1830 tot de dag van de Algerijnse onafhankelijkheid in 1962 vormde Algerije, in tegenstelling tot andere kolonies, drie departementen die deel uitmaakten van Frankrijk. Bij de onafhankelijkheid waren er rond de 1 miljoen pieds-noirs, ongeveer 10% van de bevolking. Ze bezaten het meeste en beste land. De Algerijnen, in de volksmond aangeduid als 'moslims' of 'inheemsen' (Frans: indigènes), waren uitgesloten van stemrecht. Ze konden weliswaar de Franse nationaliteit verkrijgen, maar dit hield in dat ze hun religie moesten afzweren. Dit gebeurde dan ook vrijwel niet.

Hoewel de meeste pieds-noirs een Franse achtergrond hadden, moedigde de Franse regering kolonisatie actief aan, en wierf ook kolonisten in andere Mediterrane landen, zoals Spanje, Italië en Malta. Sefardische Joden kregen krachtens een decreet van de Franse minister Cremieux eveneens de Franse nationaliteit en gingen vanaf toen eveneens tot de pieds-noirs behoren. Zij werden tijdens het Vichy-bewind gediscrimineerd, maar niet gedeporteerd. Sommige historici schrijven dit toe aan het feit dat de Asmogendheden de Middellandse Zee niet volledig beheersten. Na de bevrijding in 1942 werden zij in hun rechten hersteld. De pieds-noirs bestreken een wijd sociaal scala, van kleine boeren, artsen, handelaars, ambtenaren tot grootgrondbezitters (grand-colons).

Pieds-noirs raakten na verloop van tijd geïsoleerd. Enerzijds waren ze vervreemd van de lokale bevolking, die grotendeels langs hen heen leefde. Anderzijds hadden ze ook weinig met Frankrijk, waar veel van hen nooit voet hadden gezet.

De Tweede Wereldoorlog verstoorde de verhoudingen. De Algerijnen eisten erkenning voor het feit dat velen van hen als soldaat in de Franse legers hadden gevochten en gestorven waren. De Franse regering voerde in 1947 wat halfhartige hervormingen door en verleende een grote groep Algerijnen de Franse nationaliteit. Dit ging de pieds-noirs te ver en de Algerijnse bevrijdingsbewegingen niet ver genoeg. Ook de dekolonisatie, de onafhankelijkheid van andere landen, en de Franse nederlagen in Frans-Indochina versterkten het zelfvertrouwen van de Algerijnen. De pieds-noirs waren echter over het algemeen niet onder de indruk en verwachtten zelfs tijdens de oorlog dat de Franse regering de opstand de kop zou kunnen indrukken. Toen de Vierde Republiek hier niet toe in staat leek, steunden zij het aan de macht brengen van Charles de Gaulle, in de hoop dat hij Algerije kon redden zoals hij in de Tweede Wereldoorlog Frankrijk had gered. Toch begonnen sinds 1957 een deel van de pieds-noirs Algerije te verlaten omwille van de onzekerheid en het geweld.

Toen in 1961-1962 het duidelijk werd dat Algerije onafhankelijk zou worden, begon de grote uittocht van pieds-noirs. Dit werd nog versterkt door een aantal gewelddadige incidenten, waaronder het bloedbad van Oran, waarin een grote groep Europeanen door woedende Algerijnen werd gedood. Sommigen verlieten overhaast het land met niets anders dan een koffer met kleren, en een aantal steden liep zelfs half leeg. Ongeveer 100.000 pieds-noirs kozen ervoor om te blijven, maar 50.000 hiervan emigreerden later toch. In de kuststad Annaba is nog steeds een groot aantal pied-noirs.

De meeste pieds-noirs vertrokken naar Frankrijk, en gingen in het zuiden wonen waar het klimaat mediterraan is. Velen vestigden zich in Corsica waar de Franse staat hen uitgestrekte domeinen landbouwgrond toekende ten nadele van de lokale Corsicaanse boeren. Anderen kozen voor Nieuw-Caledonië, Italië, Spanje, Australië of Amerika. Veel Sefardische Joden kozen voor Israël.

De Franse regering bleek de instroom van vluchtelingen te hebben onderschat. Hoewel er fondsen beschikbaar waren voor hun integratie en schadeloosstelling, waren die niet toereikend. Terwijl de grootgrondbezitters vaak voldoende vermogen hadden om de overstap soepel te maken, gold dat niet voor de middenklasse. Zij moesten in Frankrijk helemaal opnieuw beginnen, en werk beneden hun niveau accepteren. Bovendien werden ze door veel Fransen met de nek aangekeken. Enerzijds zagen veel linkse bewegingen hen als de oorzaak voor de lange pijnlijke Algerijnse Oorlog. Een veel voorkomend vooroordeel luidde dat pieds-noirs allemaal grootgrondbezitters en uitbuiters waren, die een lesje in nederigheid hadden verdiend. Anderzijds moesten ze met de lokale bevolking concurreren om banen, wat eveneens antipathie opleverde. Daarbij voelden ze zich verraden door de regering die ze zelf mede in het zadel hadden geholpen.

Rechtvaardige onder de Volkeren

Rechtvaardige onder de Volkeren (Hebreeuws: חסיד אומות העולם - Chassid Umot ha-Olam) is een uit de Talmoed afkomstige eretitel die door Israël wordt gegeven aan gojim (niet-Joden) die Joden ten tijde van de Holocaust hebben helpen onderduiken, ontkomen en overleven. De toekenning gebeurt door de leiding van Yad Vashem, de plaats waar het Joodse volk de slachtoffers van de door Adolf Hitler georganiseerde massamoord op de Joden herdenkt.

Men noemt de titel ook wel Yad Vashem-onderscheiding voor hulp aan Joden. De decorandus ontvangt een medaille en een oorkonde met de vermelding van zijn of haar naam. Verder wordt deze naam in Jeruzalem in een muur gebeiteld, in een park gewijd aan de "Rechtvaardige onder de Volkeren".

Synagoge (Amersfoort)

De Synagoge in de Nederlandse stad Amersfoort is een religieus bouwwerk van de joodse gemeenschap van de Nederlands Israëlitische Gemeente aan de Drieringensteeg.

In 1727 werd de synagoge aan de Drieringensteeg gesticht, die nog steeds bestaat. Na de inwijding was de leiding in handen van tabakshandelaar Abraham Italiaander. Hij zorgde ervoor dat de minderheid Sefardische joden en de Asjkenazische Joden als één gemeente verdergingen. In 1941 telde de Joodse gemeente ongeveer 700 leden. De helft van de Joden viel ten prooi aan de Shoah (onderdeel van de Holocaust waarbij het om de Joden ging).

In 2009 is er een actieve orthodox-joodse gemeenschap in Amersfoort. Er zijn er twee rabbijnen woonachtig, namelijk rabbijn Shimon Evers en rabbijn Binyomin Jacobs. Beiden zijn werkzaam voor het Interprovinciaal Opperrabbinaat. Er worden minstens eens per week synagogediensten gehouden.

Synagoge (Hoorn)

De synagoge in de Noord-Hollandse stad Hoorn werd in 1780 gebouwd ten behoeve van de groeiende joodse gemeenschap. De eerste vermelding van joden die zich in Hoorn vestigden, komt uit 1622 en betreft Sefardische Joden. De synagoge werd in 1874 gerestaureerd en uitgebreid.

In de jaren 1940 liep het aantal leden van de gemeenschap, door de oorlog en de stichting van de Staat Israël, sterk terug; in 1953 waren er nog 43 leden die reeds jaren elders naar de synagoge gingen. Dat jaar werd besloten tot sloop van de bouwvallige synagoge. Van de synagoge rest nu alleen nog een afbeelding op een moderne gevelsteen in de gevel van het nieuwe pand aan de Italiaanse Zeedijk 122.

Synagoge Simon en Lina Haïm

De Synagoge Simon en Lina Haïm is een voormalige synagoge van de Sefardische Joden die zich bevond aan de Paviljoenstraat 47 te Schaarbeek.

Trinidad (Santa Bárbara)

Trinidad (uit het Spaans: "Drie-eenheid") is een gemeente (gemeentecode 1626) in het departement Santa Bárbara in Honduras.

De eerste bewoners kwamen in de 17e eeuw uit Chiquimula in Guatemala. Later kwamen er verschillende Sefardische Joden te wonen. Mede hierdoor heeft het dorp later veel steun vanuit Israël gekregen. Zo is er een sportcentrum met de naam Plaza Jerusalem. Ook is er een straat genoemd naar Shimon Agur, Israëlisch ambassadeur in Honduras.

Het dorp Trinidad ligt in een kleine vallei. Dichtbij staan de bergen Cantiles, Torres, Quita Calzón en Tres Cerritos. Hier bevinden zich verschillende watervallen.

Er zijn veel activiteiten om het toerisme te stimuleren, met name culturele festivals. Ook worden er kleine lodges gebouwd bij de rivieren en watervallen in de omgeving.

Yosef Kaplan

Yosef Kaplan Buenos Aires, 28 januari 1944) is een Israëlische hoogleraar van Argentijnse afkomst in de geschiedenis van de Sefardische Joden aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem.

In andere talen

This page is based on a Wikipedia article written by authors (here).
Text is available under the CC BY-SA 3.0 license; additional terms may apply.
Images, videos and audio are available under their respective licenses.