Otho

Marcus Salvius Otho (Ferentinum, 28 april 32 - Brixellum, 17 april 69) was een Romeins keizer van 15 januari tot 17 april van het jaar 69. Hij werd de eerste Romeinse keizer die dit ambt wist te bemachtigen door zijn voorganger openlijk te vermoorden.

In de jaren 50 was hij bevriend met Nero en pochte over de bijzondere charmes van zijn vrouw Poppaea Sabina. Dat had echter meer effect dan voorzien. Nero verwijderde Otho in 58 uit Rome door hem tot gouverneur van Lusitania (Portugal) te benoemen en Poppaea bleef achter. Nero nam haar als maîtresse, later als tweede vrouw. In 65 schopte Nero haar echter dood.

Otho was nog steeds in Lusitania toen in 68 de opstand tegen Nero uitbrak. Door de gebeurtenissen met zijn ex-vrouw was hij verbitterd tegen Nero geworden en spande samen met de opstandige Galba, gouverneur in het aangrenzende Hispania Tarraconensis (Zuid Spanje). Hij zag in zijn alliantie met Galba bovendien een grote kans keizer te worden. Hij nam aan dat Galba, eenmaal keizer, hem zeker als opvolger zou adopteren en gezien de leeftijd van de 70-jarige Galba, zou Otho waarschijnlijk niet zo heel lang op het keizerschap hoeven wachten.

De opstand culmineerde in Nero's zelfmoord op 9 juni 68 en Galba werd keizer. Op 1 januari 69 echter, kwamen de legioenen onder het commando van Vitellius in opstand en begonnen naar Rome op te rukken. Dit nieuws bereikte Rome ruim een week later en Galba benoemde haastig Piso tot zijn opvolger. Otho voelde zich zo gepasseerd dat hij besloot een coup te plegen en Galba te laten vermoorden. Hij kocht diezelfde week, voor grote geldbedragen, de twaalf sleutelfiguren van de Praetoriaanse garde om en op 15 januari werd Galba door zijn eigen lijfwacht vermoord. Het werd een bloedbad waarbij ook Piso en talloze andere mensen, zowel aanhangers als onschuldige burgers, vermoord werden. Te midden van alle verwarring en angst voor de oprukkende opstandige legers, had de Senaat weinig andere keus dan Otho als de nieuwe keizer te erkennen.

Otho won de steun van de legers in Africa en in het oosten door bonussen en hervormingen. Ondanks de grote overmacht van al deze legers werd Otho toch zeer ernstig bedreigd door de troepenmacht van Vitellius. Immers, Otho's legers bevonden zich voornamelijk in Africa, Egypte, aan de Eufraat en de Donau en zouden niet op tijd arriveren om de zeven opstandige legioenen tegen te houden. Deze konden het makkelijk opnemen tegen het ene legioen dat Otho in Rome had. Daar werd naarstig gezocht naar versterkingen. Drie legioenen uit de Balkan haastten zich naar Rome maar zouden waarschijnlijk niet op tijd kunnen komen. In paniek werden legers geïmproviseerd en er werden zelfs 2000 gladiatoren ingezet.

Na een aantal schermutselingen vond de grote slag tussen de troepen van Vitellius en die van Otho plaats op 14 april 69. Deze slag staat bekend als de eerste slag bij Bedriacum. Otho's onervaren legers werden in de pan gehakt en ongeveer 40.000 soldaten sneuvelden. Toen Otho de omvang van de nederlaag zag, was hij zo aangeslagen dat hij besloot zich het leven te benemen om verder bloedvergieten te voorkomen. Zelfs het nieuws dat een aantal van zijn legioenen reeds in aantocht waren, konden hem niet meer op andere gedachten brengen. Op 17 april pleegde hij zelfmoord.

Otho
Bron: Classical Numismatic Group, Inc. (CNG)
Bron: Classical Numismatic Group, Inc. (CNG)
Geboortedatum 32
Sterfdatum 17 april 69
Tijdvak Vierkeizerjaar
Periode 15 januari 69 - 17 april 69
Voorganger Galba
(10 juni 68 - 15 januari 69)
Opvolger Vitellius
(18 juli 69 - 20 december 69)
Staatsvorm principaat
Persoonlijke gegevens
Naam bij geboorte Marcus Salvius Otho
Gehuwd met Poppaea Sabina
Romeinse keizers
Portaal  Portaalicoon   Romeinse Rijk

Externe links

60-69

De jaren 60-69 (van de christelijke jaartelling) zijn een decennium in de 1e eeuw.

69

Het jaar 69 is het 69e jaar in de 1e eeuw volgens de christelijke jaartelling.

Anteros otho

Anteros otho is een vlindersoort uit de familie van de prachtvlinders (Riodinidae), onderfamilie Riodininae.

Anteros otho werd in 1851 beschreven door Westwood.

Eerste slag bij Bedriacum

De eerste slag bij Bedriacum was een gevecht tussen de troepenmachten van Vitellius en keizer Otho dat plaatsvond op 14 april 69. De Romeinse plaats Bedriacum is nu het Lombardische plaatsje Calvatone

Galba (keizer)

Servius Sulpicius Galba (24 december 3 v.Chr., Terracina - 15 januari 69, Rome) was een Romeinse senator en generaal, de eerste princeps (cf. keizer) in het vierkeizerjaar 69 n.Chr. Hij was de eerste princeps die niet tot de Julisch-Claudische dynastie behoorde en hield de teugels van het rijk slechts zeven maanden in handen.

Huis Oranje-Nassau

Het Huis Oranje-Nassau is een tak van het Huis Nassau, een oud, uit Midden-Duitsland afkomstig adelsgeslacht.

Het huis heeft een centrale rol gespeeld in de politiek en overheid van Nederland en kortstondig ook in andere delen van Europa.

Het behoort, sinds Willem van Nassau de bezittingen van zijn neef René van Chalon erfde, tot de hoge Europese adel. Toen het Huis Oranje met Willem III van Oranje uitstierf voegde zijn Friese neef uit het Huis Nassau-Dietz de namen Oranje en Nassau samen. Sindsdien wordt van het Huis Oranje-Nassau gesproken. Al is dit Huis in 1890 in mannelijke lijn met Willem III der Nederlanden uitgestorven, rekent men ook Wilhelmina, Juliana en Beatrix met hun zonen en kleinkinderen tot het Huis Oranje-Nassau, en niet tot de huizen van hun echtgenoten uit de huizen Mecklenburg-Schwerin en Lippe-Biesterfeld, of de adellijke familie Von Amsberg.

De oudste bekende voorouder is Ulrich graaf van Idstein in de omgeving van Wiesbaden. Deze Ulrich was graaf van Laurenburg aan de Lahn en stierf in 1124. De volgende graaf was Hendrik II van Nassau de Rijke (ca. 1180-ca. 1250) die op zijn beurt werd opgevolgd door Walram I verwierf door zijn huwelijk met de erfdochter Cunigunde van Belliqueux het Graafschap Nassau.

Op 17 december 1255 werd het feodale bezit verdeeld onder Walram van Laurenburg (ca. 1146-1198) die graaf van Nassau, Idstein, Wiesbaden en Weilburg werd en Otho die graaf van Nassau-Siegen, Dillenburg en Beilstein werd. De twee takken sloten een Huisverdrag, de "Nassauischer Erbverein" waarmee zij elkaar als erfgenaam in het geval van uitsterven in de mannelijke lijn aanwezen. Zo ging Luxemburg in 1890 over van de tak van Otho naar de tak van Walram.

Hendrik de Rijke bouwde het slot de Dillenburg. Ook in Dietz stond een burcht of huis van de Nassaus, evenals later in Siegen, Hadamar, Idstein, Weilburg, Ottweiler, Saarbrücken, Usingen en Merenberg. Elk van deze plaatsnamen vertegenwoordigden een aparte tak van het Huis van Nassau, zoals Nassau-Dillenburg, Nassau-Beilstein, Nassau-Dietz, Nassau-Siegen, Nassau-Weilburg. De meeste van deze takken stierven uiteindelijk uit.

Zijn zoon Hendrik II van Nassau de Rijke was gehuwd met Machteld van Gelre en kreeg een aantal zonen, waarvan Walram (ca. 1220-ca. 1276) en Otto (vermoedelijk gestorven in 1289) de bezittingen van hun vader erfden en die later verdeelden. Het Huis van Oranje-Nassau stamt historisch gezien af van Otto, zij zijn de Ottoonse of jongere linie van het Huis Nassau.

In 1403 huwde Engelbrecht I van Nassau-Dillenburg met de rijke erfdochter Johanna van Polanen. Zo verwierf het Duitse geslacht der (Ottoonse) Nassaus Breda, Polanen en de Lek, en later onder zijn kleinzoon Engelbert II van Nassau-Breda ook het Burggraafschap Antwerpen. Sindsdien hebben de Nassaus met twee korte onderbrekingen (1795-1813 en 1940-1945) een grote rol in de Nederlanden gespeeld. Er waren in Duitsland meerdere takken van het Huis Nassau maar de jongere tak van de Nassaus overvleugelde alle in macht en rijkdom.

Het Huis Oranje-Nassau werd voor het eerst genoemd in 1544, toen Willem I, graaf van Nassau-Dillenburg (1533-1584), beter bekend als Willem van Oranje of Willem de Zwijger, het Zuid-Franse prinsdom Orange erfde van zijn neef René van Chalon (officieel René graaf van Nassau en prins van Chalon-Oranje), de zoon van Willems oom Hendrik III.

Bij het vorstendom hoorde ook de titel Prins van Oranje en de lijfspreuk van Chalon, Je maintiendrai Chalon. Na de dood van koning-stadhouder Willem III in 1702 zou tot 1732 zowel het Huis van Oranje-Nassau als het Huis Hohenzollern aanspraak op de titel maken. Volgens het Traktaat van Partage behielden beide Huizen echter het recht op de titel Prins van Oranje. Omdat koning-stadhouder Willem III na zijn dood geen wettige opvolger had, stierf de Bredase tak van Willem van Oranje uit en ging het Huis van Oranje-Nassau verder in de zogenaamde Friese tak, het Huis Nassau-Dietz, de nazaten van Willems broer Jan VI van Nassau-Dillenburg.

Sindsdien stammen de leden van de Oranjefamilie in de vrouwelijke lijn meerdere keren van Willem van Oranje af; hij is in die zin de stamvader van de huidige Oranjes.

De leden van deze familie hebben geregeerd in:

Het prinsdom Oranje

Het Graafschap Nassau

Het graafschap Nassau-Dillenburg

Het Koninkrijk Engeland

Het Koninkrijk Schotland

Het Koninkrijk Ierland

De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, als erfstadhouder, niet als vorst of soeverein

Het vorstendom Fulda. Dit kleine Duitse staatje bestond uit zeven samengevoegde territoria waaronder:

het bisdom Fulda

de abdij St. Gerold (in Vorarlberg, 1804 verkocht aan Oostenrijk)

de proosdij Bandern (in Liechtenstein, 1804 verkocht aan Oostenrijk)

de abdij Dietkirchen (in Nassau)Eigenlijk vielen deze gebieden aan Willem V toe, maar deze weigerde het "gestolen goed" beslist. Hij legde zich neer bij de aanvaarding ervan door zijn zoon Willem Frederik van Oranje-Nassau.

Het nieuw gevormde vorstendom bestond uit vier eenheden, die voorzien werden van nieuwe titels:

het vorstendom Fulda

het vorstendom Corvey, de vroegere Abdij van Corvey

het graafschap Dortmund, de vroegere rijksstad Dortmund

de heerlijkheid Weingarten, de vroegere Abdij Weingarten met het prioraat Hofen (aan het Bodenmeer)Na de restauratie regeerden de Oranje-Nassaus in:

Het Koninkrijk der Nederlanden

Het groothertogdom Luxemburg

tot 1830 in het koninkrijk België

Johanna Otho

Johanna Otho of Othonia (Gent, ca. 1540 - Straatsburg, na 1600) was een beroemde dichteres in de zestiende eeuw

Johannes Otho

Johannes Otho of Johannes Othonius (Brugge, ca. 1520 - Duisburg, 6 juni 1581) was een leraar, latinist en humanist. Hij had drie kinderen, onder wie Johanna Otho, die een in haar tijd bekende Latijnse dichteres was.

L'Incoronazione di Poppea

L'Incoronazione di Poppea is de laatste opera van Claudio Monteverdi. In de herfst van 1642 vond de première plaats in het theater SS. Giovanni e Paolo te Venetië. Het libretto is van de Venetiaanse advocaat Francesco Busenello (nogal vrij) naar de Annales van Tacitus boek 13-16. Als secundaire bron kunnen ook Suetonius (Twaalf keizers: boek 6) Dio Cassius (Romeinse geschiedenis (boek 61,62)) en pseudoSeneca (Octavia) genoemd worden.

Er bestaan twee onderling verschillende handgeschreven partituren, die waarschijnlijk onder andere bij de heropvoering in 1651 in Napels zijn gebruikt. Men is er tegenwoordig vrij algemeen van overtuigd dat niet alle muziek oorspronkelijk van Monteverdi is, maar dat in die partituren ook werk van andere componisten is verwerkt. Het aantal musici is vergeleken met de vroege opera L'Orfeo sterk verminderd.

Er zijn twee handgeschreven libretti overgeleverd met een gedrukt exemplaar uit 1646, hetwelk Busenello zelf zou hebben gemaakt. Dit laatste libretto is onvolledig; met name ontbreekt het slotduet van het derde bedrijf.

Dit is een van de eerste commercieel geproduceerde opera's: ieder die een kaartje kocht had toegang. Het is de eerste opera over historische figuren, die met bijtend realisme worden weergegeven als te worden gedreven door politieke ambitie en (zinnelijke) liefde. Ook zijn er gefantaseerde en mythologische feiten aan het historisch verhaal toegevoegd, om het passend te maken voor de toen heersende libertijnse tijdgeest: een breuk met de meer benauwende moraal van eerdere decennia. In de opera van de hoven rond 1600 (maar ook na deze tijd) zou een dergelijk onderwerp ondenkbaar zijn geweest.

Het historische realiteitsgehalte is gering. Er is historisch gezien nooit sprake geweest van een poging tot moord op Poppaea Sabina, de figuur waarop Poppea is geënt.

Na een heruitvoering in 1651 raakte deze opera in de vergetelheid. Heden ten dage maakt het werk evenwel deel uit van het internationale standaardrepertoire.

Legio I Adiutrix

Legio I Adiutrix is een legioen dat werd opgericht door Nero in 66, maar dat door zijn voortijdig overlijden werd overgenomen door zijn opvolgers. Galba voltooide de creatie van dit legioen in 69 met de formele vestiging ervan. Het symbool van dit legioen was de steenbok, maar ook Pegasus werd gebruikt als teken. In latere tijd kreeg het legioen de eretitel Pia Fidelis.

Het eerste gevecht waarin Legio I Adiutrix wordt vermeld, is de eerste slag bij Bedriacum, april 69, waar het samen met Legio XIII Gemina vocht aan de zijde van Otho, maar verslagen werd. Vitellius plaatste het legioen over naar Spanje. In het jaar 70 vocht het legioen tegen opstandige Bataven en vestigde een vaste basis te Mainz. Onder Domitianus vocht het legioen in 83 tegen de Chatti aan de Rijn. Een poos later werd het legioen gevestigd te Brigetio.

Toen Domitianus in 96 werd vermoord, was er onrust in het Donaugebied, waar men Nerva niet wilde aanvaarden als opvolger. Legioen I Adiutrix gedroeg zich het meest loyaal in deze periode en dankte daaraan de nieuwe bijnaam Pia Fidelis.

In de periode 101-106 vocht het leger in Dacië. Onder Trajanus hielp het deze met zijn campagne tegen de Parthen tussen 115 en 117. Hadrianus zond het legioen terug naar Brigetio in Pannonië. Tijdens de burgeroorlog in 193-195 steunde het legioen Septimius Severus. Tussen 236 en 237 nam het legioen deel aan de oorlog in Dacië. Ook in de campagne van Gordianus III in 244 tegen de Perzen was dit legioen van de partij. In 259 vocht het legioen tegen de invallende Alemannen en verdedigde zo Italië.

Het legioen wordt een laatste keer vermeld in het jaar 444.

Legio I Italica

Legio I Italica, voluit Legio Prima Italica (Eerste Italiaanse legioen), werd in 66 n.Chr. gesticht door keizer Nero. Dit wordt bevestigd door de Grieks-Romeinse historicus Cassius Dio, die eveneens aangeeft dat het legioen door Nero werd gesticht.De symbolen van het legioen waren een everzwijn en — minder vaak gebruikt — een stier.

Het legioen, dat uitsluitend bestond uit soldaten van minimaal 1,90 meter lang, werd gesticht voor een campagne in Armenië en het oosten om een vervolg te geven aan de succesvolle campagnes van generaal Corbulo in de voorgaande jaren. Nero gaf het nieuwe legioen de bijnaam phalanx Alexandri Magni (Falanx van Alexander de Grote), hetgeen aangaf wat hij van plan was in het oosten. Deze plannen werden echter doorkruist door het uitbreken van de Joodse Opstand waarbij XII Fulminata werd verslagen in Judea. I Italica werd teruggeroepen en de Armeense campagne werd nooit uitgevoerd. Bovendien brak in de eerste weken van 68 een opstand uit in Gallië onder de gouverneur van Gallia Lugdunensis, Gaius Julius Vindex.

I Italica kreeg hierop de opdracht de opstand in Gallië neer te slaan maar het kwam, in het voorjaar van 68, te laat aan om nog aan de gevechten deel te nemen. De gouverneur van Germania Superior, Lucius Verginius Rufus, had de opstand van Vindex reeds neergeslagen (gebruikmakend van XXI Rapax, IIII Macedonica en XXII Primigenia).

In juni van dat jaar werd Vindex' bondgenoot Galba door de Senaat als keizer erkend, waarop Nero zelfmoord pleegde. Deze feiten leverden grote spanningen op in het Rijnland , omdat Verginius de verkeerde man had gesteund. In januari 70 brak onder de gouverneur van Germania Inferior, Vitellius, een opstand uit. De soldaten van I Italica kozen onmiddellijk de zijde van de rebellen, verlieten de basis waar zij door Galba naartoe waren gezonden (Lyon) en voegde zich bij het leger van Vitellius bij zijn mars naar Italië.

De eerste veldslag vond plaats op 14 april 70. Inmiddels was Galba vermoord en opgevolgd door een senator genaamd Marcus Salvius Otho. In de buurt van Cremona werden Otho's legioenen XIII Gemina, I Adiutrix, en de Praetoriaanse garde in de Eerste slag bij Bedriacum verslagen door Vitellius' V Alaudae, I Italica en XXI Rapax. Toen Otho de omvang van de nederlaag zag, was hij zo aangeslagen dat hij besloot zich het leven te benemen om verder bloedvergieten te voorkomen. Zelfs het nieuws dat een aantal van zijn legioenen reeds in aantocht waren, kon hem niet meer op andere gedachten brengen. Op 17 april pleegde hij zelfmoord. Volgens de Romeinse historicus Tacitus was I Italica de dapperste van alle betrokken legioenen en hun adelaar werd trots door de straten van Rome gevoerd toen Vitellius zijn nieuwe hoofdstad binnentrok.

Vitellius genoot niet lang van zijn keizerrijk, want in het Oosten werd de generaal die daar heengezonden was om de Joodse Opstand neer te slaan, Vespasianus, tot keizer uitgeroepen. De legioenen uit de Donauprovincie steunden hem en op 24 oktober 70 vond er opnieuw een veldslag plaats in de buurt van Cremona, de Tweede slag bij Bedriacum. I Italica vocht opnieuw dapper, maar deze keer werd Vitellius verslagen.

De zegevierende nieuwe keizer zond I Italica naar Moesia waar het gelegerd werd in Novae (tegenwoordig Svishtov in het noorden van Bulgarije) en VIII Augusta afloste. Gedurende de winter vielen de Sarmaten, een stam levend aan de overzijde van de Donau, het Romeinse Rijk binnen, omdat het de stam bekend was dat er een burgeroorlog woedde. Zij hadden geleerd dat zij onder deze omstandigheden succesvol konden zijn. De gouverneur van Moesia, Gaius Fonteius Agrippa, werd verslagen en sneuvelde tijdens de strijd. Aangenomen wordt dat I Italica een van de verslagen legioenen was. Pas in de loop van het jaar 70 kon een nieuwe gouverneur, Rubrius Gallus, de orde herstellen. De 5300 1,90 meter lange mannen hadden eindelijk hun basis gevonden, niet ver van de plek waar Alexander de Grote ooit de Donau overstak.

Legio I Macriana Liberatrix

Legio I Macriana Liberatrix was een Romeins legioen dat werd opgericht in 68 door Lucius Clodius Macer en korte tijd later werd ontbonden door de nieuwe keizer Galba.

In april 68 kwamen Vindex, gouverneur van Gallia Lugdunensis, en Galba, gouverneur van Hispania Tarraconensis, in opstand tegen keizer Nero. Kort daarna sloot gouverneur Otho van Hispania Lusitania zich bij de opstandelingen aan.

Door de gebeurtenissen in Europa besloot in april 68 de gouverneur van de provincie Africa, Lucius Clodius Macer, ook in opstand tegen de keizer te komen. Hij sloot zich echter niet aan bij Galba en Vindex, omdat hij zelf keizer hoopte te worden. Macer richtte in Africa een nieuw legioen op: Legio I Macriana liberatrix (Eerste legioen bevrijders van Macer). Daarnaast kon hij beschikken over Legio III Augusta, dat in zijn provincie gestationeerd was. Clodius Macer veroverde Carthago, een haven die voor de toevoer van graan uit Noord-Afrika van levensbelang is voor Rome. Clodius Macer liet de graantransporten naar Rome stoppen, waardoor het in de hoofdstad onrustig werd. Op 9 juni pleegde Nero zelfmoord, waarop Galba werd uitgeroepen tot de nieuwe keizer van het Romeinse Rijk. In oktober arriveerde Galba in Rome: hij liet Clodius Macer nog diezelfde maand door Trebonius Garutianus vermoorden. Het eerste legioen van Macer werd kort daarna door Galba ontbonden.Het is mogelijk dat keizer Vitellius het legioen na de dood van Galba voor korte tijd opnieuw liet oprichten, hoewel het waarschijnlijker is dat de soldaten van het legioen wel werden opgeroepen, maar daarna bij andere eenheden werden ingedeeld.

Lucius Calpurnius Piso Licinianus

Lucius Calpurnius Piso Frugi Licinianus (38-69) was onderkeizer van het Romeinse Rijk van 10 tot 15 januari 69. Hij was benoemd door keizer Galba om zijn eigen positie te versterken toen twee van zijn legioenen in Germania Superior tegen hem in opstand kwamen.

Otho-Corpus-evangeliarium

Het Otho-Corpus-evangeliarium of de Otho-Corpus gospels zoals ze in de Engelse literatuur genoemd worden was een verlucht handschrift dat op het einde van de 7e eeuw of het begin van de 8e eeuw werd vervaardigd.

Otho (Iowa)

Otho is een plaats (city) in de Amerikaanse staat Iowa, en valt bestuurlijk gezien onder Webster County.

Poppaea Sabina

Poppaea Sabina de Jongere was de tweede vrouw van Nero van 62 tot 65. Ze werd geboren in Pompeï in AD 30 als dochter van Titus Ollius en Poppaea Sabina de Oudere. Zij was de kleindochter van Poppaeus Sabinus (consul in 9).

Poppaea staat bekend als een van de grootste schoonheden van haar tijd maar Tacitus beschrijft haar ook als een vrouw die alle menselijke eigenschappen bezat, behalve goedheid ('Huic mulieri cuncta alia fuere, praeter honestum animum' Ann. XIII, 45)

Poppaea was in de jaren 50 getrouwd met Rufrius Crispinus, prefect van de praetoriaanse garde onder Claudius. Ze werd de maîtresse en later de vrouw van Otho. Otho was een goede vriend van Nero en pochte over haar charmes. Nadat Nero haar had leren kennen, stuurde hij Otho in 58 weg uit Rome door hem tot gouverneur van Lusitania (tegenwoordig Portugal) te benoemen. Zodoende kon de achtergebleven Poppaea de maîtresse van Nero en in 62 zijn tweede vrouw worden.

In 63 kreeg zij een dochter, Claudia Neronis, waar Nero zo verrukt van was dat hij de baby onmiddellijk verhief tot Augusta. De nieuwe keizerin stierf echter al na een paar maanden.

In 65 werd Poppaea, toen ze weer in verwachting was, door Nero in een vlaag van woede zo hard in haar buik geschopt dat zij eraan overleed. Met grote spijt gaf Nero haar een staatsbegrafenis en kende haar de hoogste eer toe: Diva (= goddelijk).

Een grote villa, die in Oplontis aan de Baai van Napels is teruggevonden, wordt wel als een buitenverblijf van Poppaea beschouwd.

Valentinus Otho

Valentinus Otho (Maagdenburg, 1548 - Praag, 8 april 1603) was een Duits wiskundige, die tabellen voor de goniometrische functies opstelde.

Vierkeizerjaar

Het Vierkeizerjaar, ook wel Driekeizerjaar genoemd, is een bijzonder turbulent jaar waarin veel Romeinse legioenen zijn betrokken en vier keizers elkaar in korte tijd opvolgen. Deze burgeroorlogen beginnen in maart van het jaar 68 met de opstand van Vindex en eindigen met het uitroepen van Vespasianus tot keizer op 20 december 69.

Vitellius (keizer)

Aulus Vitellius Germanicus (?, 24 september 15 – Rome, 22 december 69), ook wel Aulus Vitellius Germanicus Augustus, was 8 maanden lang Romeins keizer, van 16 april tot 22 december 69. Vitellius werd uitgeroepen tot keizer na de snelle opeenvolging van vorige keizers Galba en Otho, in een jaar van burgeroorlog dat bekendstaat als het Vierkeizerjaar.

Vitellius was de eerste die na zijn kroning de erecognomen Germanicus aan zijn naam toevoegde, in plaats van Caesar omdat die bijnaam in diskrediet was gebracht door de acties van Nero.

Zijn aanspraken op de troon werden al snel betwist door legioenen in de oostelijke provincies, die hun commandant Vespasianus uitriepen tot keizer. Er volgde oorlog, waarop Vitellius een verpletterende nederlaag leed bij de Tweede slag bij Bedriacum in Noord-Italië. Toen hij doorhad dat hij zijn steun begon te verliezen, bereidde hij zich voor om troonsafstand te doen ten gunste van Vespasianus maar hij werd echter in Rome geëxecuteerd door de troepen van Vespasianus op 22 december 69.

In andere talen

This page is based on a Wikipedia article written by authors (here).
Text is available under the CC BY-SA 3.0 license; additional terms may apply.
Images, videos and audio are available under their respective licenses.