Laatpaleolithicum

Het laatpaleolithicum, jong paleolithicum, hoogpaleolithicum of bovenpaleolithicum is het latere deel van het Euraziatische paleolithicum Ze begon ongeveer 40.000 jaar geleden tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien, en eindigde aan het eind daarvan rond 12.000 jaar geleden.

Het begin van het laatpaleolithicum valt samen met de immigratie van de anatomisch moderne mens (Homo sapiens sapiens) in Europa.

Menselijke fossielen

De "anatomisch moderne mens" is in Europa het eerst in 36.000 BP in de Peștera cu Oase (Roemenië) met relatief volledige schedels aangetoond. Onzeker zijn fossiele resten uit de Grotta del Cavallo (Apulië) en Kent's Cavern (Engeland), welke echter alleen tanden en een stuk bovenkaak omvatten. Ongeveer 40.000 tot 30.000 jaar geleden leefden naast de Homo sapiens sapiens-immigranten nog neanderthalers (Homo sapiens neanderthalensis) in Europa, aan welke de culturen van het Szeletien en het Châtelperronien worden toegeschreven. De culturen van de late neanderthalers worden echter meest nog tot de vorige periode, het middenpaleolithicum gerekend. De meest recente fossiele vondsten van Neanderthalers komen uit Spanje (b.v. Zaffaraja, Gibraltar), Kroatië (Vindija) en van het schiereiland de Krim (Kiik-Koba). De migratie van Homo sapiens sapiens wordt op grond van de vroegste vormen van het Aurignacien teruggeleid tot het Midden-Oosten en de Kaukasus.

Archeologische culturen

Musée national de Préhistoire 130727-08
Afslagklingen van de Aurignac-techniek

Met het laatpaleolithicum doet een nieuwe vorm van vuursteenbewerking zijn intrede, waarbij van een voorbewerkte kern lange klingen afgeslagen worden, in tegenstelling tot de scherven van de oudere Levalloistechniek.

Naast overgangsindustrieën die naast een geleidelijke aanpassing aan de nieuwe techniek nog steeds essentiële elementen van de Levalloistechniek vertonen (Bohunicien in Tsjechië, Uluzzien in Italië) kan alleen het Aurignacien worden omschreven als echt laatpaleolithisch.

Behalve vuursteenpunten vindt men nu steeds meer punten uit bot, gewei en ivoor. Beenderen punten met een gespleten basis vormen een gidsfossiel voor het oudere Aurignacien. Een nieuw gereedschap van het Laat-paleolithicum is de burijn. Daarnaast vindt men voor het eerst grotschilderingen en mobiele kunst: sieraden, muziekinstrumenten en ivoorsnijwerk zoals Venusbeeldjes.

Laatste Glaciale Maximum

Europe20000ya
Europese culturen tijdens het Laatste Glaciale Maximum

 Solutréen

 Epigravettien

Het middelste Laat-paleolithicum wordt bepaald door de messen en punten met stompe rug van het Gravettien (28.000 tot 22.000 BP). Na deels interstadiale omstandigheden tijdens het Aurignacien met een vochtig gematigd klimaat, heerste tijdens het Gravettien een koud en droog klimaat.

Op het Gravettien volgde het alleen in Frankrijk en Cantabrië voorkomende Solutréen (22.000-18.000 BP). Klimatologisch valt dit in het late gedeelte van de laatste ijstijd, welks Laatste Glaciale Maximum bij ongeveer 20.000 tot 18.000 BP lag.

Tot het einde van het Laat-paleolithicum worden het Magdalénien (inclusief Badegoulien) in West-Europa en het Epigravettien in het oosten van Centraal-Europa en Oost-Europa gerekend. Het vroege Magdalénien kenmerkt zich in het zuidwesten van Europa door een interstadiaal (Lascaux-interstadiaal), bij een overigens overwegend koud klimaat. Op het smelten van het laatste grote continentale landijs in het Allerød-interstadiaal volgt een eerste herbebossing, die echter door een laatste koudefase (Jonge Dryas) wordt opgevolgd.

Tijdens en vooral aan het einde van de Weichsel/Würm-ijstijd komt het tot een uitsterven van vele Pleistocene zoogdieren. Dit Kwartair uitsterven kan zowel aan veranderingen in het milieu, overbejaging door de mens of een combinatie van beide oorzaken worden toegeschreven. Terwijl de holenbeer al rond 25.000 BP is uitgestorven of uitgeroeid, verdwenen andere grote zoogdieren na het laatste koudemaximum van de Würm of Weichsel-ijstijd. Deze omvatten de holenleeuw, wolharige neushoorn, reuzenhert en steppenwisent. De mammoet werd volledig uit Europa verdrongen en stierf in het noordoosten van Siberië rond 5000 BP uit.

Eind-paleolithicum

De eindperiode van het Laat-paleolithicum (Duits: Spätpaläolithikum) begint met de aanzienlijke klimaatverwarming van het Bølling-interstadiaal rond 14.500 BP.

In het Zuidwest-Europese kerngebied van het Magdalénien volstrekt zich ongeveer 14.000 BP de overgang naar het Azilien, die wordt gerekend tot het Epipaleolithicum.

De Hamburgcultuur (15.000-12.000 BP) in Nederland, Noord-Duitsland en Noord-Polen valt samen met het late Magdalénien in Frankrijk, Zuid-Duitsland en Tsjechië. In de Noord-Europese Laagvlakte worden de archeologische culturen van het eind-paleolithicum door karakteristieke werktuigvormen, zogenaamde gids-artefacten, ingedeeld in de Ahrensburgcultuur (11.200 – 9.500 BP) en de Tjongercultuur of Federmessercultuur (12.000 tot 11.000 BP). De eerste vindplaatsen van de Tjongercultuur verklaren de naam: vondsten van vuurstenen artefacten langs een Fries riviertje (genaamd Tjonger), sites zijn onder meer bekend te Oldeholtwolde en Makkinga Lochtenrek.

Vanwege de onduidelijke archeologische grenzen wordt het einde van het Laat-paleolithicum in de klimaatgeschiedenis met het einde van de Jonge Dryas (11.560 BP) gelijkgesteld, en de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen. Microlieten, als een typische vorm van het Mesolithicum vindt men echter reeds in het laatpaleolithicum, zodat er archeologisch geen scherpe grens bestaat.

Floete Schwanenknochen Geissenkloesterle Blaubeuren

Fluit van een zwanenbot (Aurignacien)

Loewenmensch1

De Leeuwenmens van Hohlenstein Stadel (Aurignacien)

Vienna - Willendorf Venus Natural History Museum - 6190

Venus van Willendorf (Gravettien)

Aurochs - Fourneau du Diable - Bourdeilles - MNP

Oerossen, Fourneau du Diable, Bourdeilles (Solutréen)

10 Bisonte Magdaleniense

Wisent, Altamira (Magdalénien)

Kolonisatie van Amerika

In de late fase van het Laat-paleolithicum vindt ook de kolonisatie van Amerika vanuit Eurazië plaats, en het ontstaan van de Lithische periode in de Nieuwe Wereld.

Externe link

Bronnen, noten en/of referenties
Abri de la Madeleine

De Abri de la Madeleine is een grote klif met rotswoningen (abris sous-roche in het Frans) in de Dordogne in Aquitanië, Frankrijk.

De abri is een pre-historische schuilplaats onder een overhangende klif vlakbij Tursac. Naar deze abri is genoemd het Magdalénien, een van de culturen van het laatpaleolithicum in West-Europa. Deze periode, die ook wel de "tijd van de rendieren" ("L'Age du Renne") werd genoemd, is voor veel mensen synoniem met rendierjagers, hoewel op de vindplaatsen ook veel bewijzen zijn gevonden voor de jacht op edelherten, paarden en andere grote zoogdieren die aan het einde van de ijstijd in Europa voorkwamen. Er zijn vondsten gedaan van ruim 20.000 jaar geleden. In de middeleeuwen is de schuilplaats opnieuw in gebruik genomen. Boven op de klif staat het middeleeuwse kasteel Petit Marsac.

Cro-magnonmens

De cro-magnonmens is een groep fossielen van de prehistorische vroege moderne mens uit het Laatpaleolithicum gevonden in de abri van Cro-Magnon bij Les Eyzies in de Franse Dordogne, en waarvan ook gebruiks- en siervoorwerpen van steen, bot en ivoor zijn gevonden. De cro-magnonmens behoorde tot de Homo sapiens.

Elasmotherium

Elasmotherium is een uitgestorven geslacht van zoogdieren, dat voorkwam in het Pleistoceen. De soort E.sibiricum leefde tot ongeveer 29.000 jaar geleden. Dit is de periode van het Laatpaleolithicum, wat zou betekenen dat de vroege moderne mens hem nog gekend zal hebben.

Het geslacht behoort volgens DNA-onderzoek uit 2018 tot de Elasmotheriinae, die zich zo'n 47 miljoen jaar geleden afsplitsten van de Rhinocerotinae, die de huidige neushoorns bevat.

Europese vroege moderne mens

Europese vroege moderne mens (Engels: European early modern humans) is een algemene term voor vroege anatomisch moderne mensen (Homo sapiens sapiens) uit het Europese Laatpaleolithicum. De term komt deels overeen met wat in het algemeen spraakgebruik met cro-magnonmens wordt aanduid. Deze laatste benaming is onduidelijk gedefiniëerd, en wordt vaak gebruikt voor ofwel een specifiek type laatpaleolithische Europeanen, laatpaleolithische vondsten elders in de wereld, of latere mensen die lijken op de oorspronkelijke vondsten van Cro-Magnon. In wetenschappelijke literatuur wordt vaak de voorkeur gegeven aan de term European early modern humans.

De term Europese vroege moderne mens wordt meestal beperkt tot vondsten van vóór het Mesolithicum (ca. 12.500 v.Chr.). Dit komt overeen met het einde van de laatste ijstijd en het verdwijnen van de daarin voorkomende megafauna. De mensen veranderden daarna van een cultuur van de jacht op grote prooien naar kleinere prooidieren en maakten een begin met het verzamelen van graszaden. Deze levenswijze berustte minder op brute kracht met als gevolg dat de mensen een minder robuuste lichaamsbouw kregen. Dit proces lijkt al minstens 50.000 tot 30.000 jaar geleden begonnen te zijn.

Hoewel de Europese vroege moderne mensen zich duidelijk onderscheidden van de late neanderthalers uit dezelfde periode vormden ze geen homogeen geheel. De oudste vondsten, meest uit Oost-Europa, tonen een mengeling van archaïsche en moderne kenmerken die de latere vondsten niet hebben. Bij geen van deze vroegste vondsten heeft men stenen werktuigen gevonden, waardoor ze moeilijk binnen de Europese steentijd in te delen zijn. Latere vondsten, geassociëerd met het Aurignacien en daaropvolgende culturen, tonen een anatomie vergelijkbaar met de vondsten van Cro-Magnon. De mensen uit het Magdalénien gaan uiteindelijk over tot de huidige Europese bevolking.

Gravettien

Het Gravettien, ook Gravettecultuur of Gravettiaan geheten, was een archeologische cultuur van het laatpaleolithicum in Europa. Het is genoemd naar de typevindplaats La Gravette bij Bayac in de Franse Dordogne en dateert van tussen 28.000 en 22.000 jaar geleden. Het Gravettien is de opvolger van het Aurignacien.

De belangrijkste vindplaatsen zijn in Centraal-Europa, onder meer te Dolní Věstonice en Willendorf. Door sommige archeologen wordt de term Pavlovien gebruikt voor de vindplaatsen in Moravië, Neder-Oostenrijk en Slowakije, andere auteurs gebruiken ook daar de naam Gravettien, om de in wezen grote eenheid van deze archeologische cultuur aan te geven.

Het kenmerkende stenen werktuig van de industrie is een kleine puntige kling met een stompe maar rechte achterkant, die bekendstaat als de Gravettespits.

Tot de artistieke uitingen behoren de zgen. "Venusbeeldjes" van steen, been of klei. De vindplaatsen zijn verspreid over Spanje, Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk, Tsjechië en Slowakije. Bij Dolní Věstonice werden de Venusbeeldjes niet alleen geboetseerd maar ook in een vuur gehard. Daar is een zorgvuldig ingericht graf gevonden, waarin een vrouw van rond de veertig jaar lag opgebaard, versierd met rode oker. Haar schouderbladen waren overdekt met schouderbladbeenderen van een mammoet en er lag gereedschap bij haar. Mogelijk was het een sjamaan.

Onder de organische werktuigen zijn vooral de "bâtons de commandement" (bâtons perçés) opmerkelijk; dit zijn benen of geweien die aan één of beide uiteinden doorboord zijn, en vaak intens versierd.

In West- en Midden-Europa werd het Gravettien opgevolgd door het Solutréen en het Magdalénien. In Italië en Oost-Europa zette de traditie zich voort in het Epigravettien.

Hathnora

Hathnora is een dorpje in de Narmadavallei in Centraal-India waar archeoloog Soniaka van de Geological Survey of India resten vond van wat volgens hem afkomstig was van een Homo erectus van 600.000 tot 700.000 jaar oud. De resten leken te behoren tot een vrouw van rond de dertig die door Sonakia Homo erectus narmadensis werd genoemd. Andere wetenschappers zoals Sankhyan en Kennedy vermoeden echter dat dit een archaïsche Homo sapiens betreft. Hier is ook Acheuléen-gereedschap teruggevonden en resten van slurfdieren en holhoornigen.

Sankhyan vond in 1997 resten van onder meer een hominide sleutelbeen en werktuigen uit het midden- of laatpaleolithicum.

Japan

Japan (Japans: 日本, Nippon, Nihon, met de letterlijke betekenis: oorsprong van de zon; de naam voor het oude Japan is 大和,Yamato) is een eilandstaat ten oosten van het Aziatische continent. Het land wordt gevormd door 6.852 eilanden in de Grote Oceaan. De grootste eilanden zijn Hokkaido, Honshu, Shikoku en Kyushu, die samen 97% van de totale oppervlakte van Japan beslaan. De hoofdstad en grootste stad van Japan is Tokio. De omringende agglomeratie Groot-Tokio is met bijna 40 miljoen inwoners de op een na grootste metropool ter wereld. Het gehele land telt 126.451.398 (2017) inwoners.

Japan werd al in het laatpaleolithicum bewoond, maar de hedendaagse bevolking stamt grotendeels af van de Yayoicultuur die vanaf de 3e eeuw v.Chr. door migranten van het vasteland werd gesticht. De Japanse rijken en stammen vergroeiden steeds verder met elkaar en werden daarbij sterk beïnvloed door de Chinese beschaving. Onder het militaire bewind van de shoguns, die vanaf 1185 feitelijk de leiding hadden, trok Japan zich vanaf de 17e eeuw echter steeds verder terug in een internationaal isolement. Het keerpunt kwam met de val van het shogunaat en de Meiji-restauratie in 1868, die de macht van de Japanse keizer in ere herstelde en een periode van modernisering inluidde. Door snelle industrialisatie en militair machtsvertoon in Oost-Azië groeide het Japans Keizerrijk in korte tijd uit tot een wereldmacht. Het moest zijn veroverde gebieden na de overgave in 1945 weer inleveren, maar tijdens en vooral na een korte Amerikaanse bezetting (die duurde van 1945 tot 1952) herstelde de Japanse economie zich razendsnel.

Het land is een constitutionele parlementaire monarchie, waarbij de wetgevende macht in handen is van de Kokkai (het parlement). Japan is 's werelds op twee na grootste economie en lid van grote organisaties als de VN, de G7 en de G20. De Japanse bevolking geniet de hoogste levensverwachting van alle landen in de wereld en de op twee na laagste kindersterfte.

Kebaracultuur

De Kebaracultuur (ook: Kebaran, Kebarien of Kebarian) is een archeologische cultuur van het Epipaleolithicum in Syrië, Jordanië, Libanon en Israël (ca. 18.000-12.500 BP). De typesite is de Kebaragrot ten zuiden van Haifa, Israël. Ze wordt voorafgegaan door de Anteliascultuur en opgevolgd door de Natufische cultuur.

De Kebaracultuur vertegenwoordigt de laatste fase van het Laatpaleolithicum in de Levant. Ze werd gedragen door een zeer mobiele nomadische bevolking van jager-verzamelaars in de Levant en de Sinaï welke gebruik maakte van kleine, geometrische microlieten. Er zijn bewijzen voor het gebruik van pijl en boog en de aanwezigheid van gedomesticeerde honden. Ook zijn er vroege aanwijzingen voor het verzamelen van wilde granen, zoals vondsten van maalgereedschappen. Een migratie tussen de hooglanden in de zomer en de grotten en rotsschuilplaatsen nabij laaglandmeren in de winter wordt verondersteld. Deze wisselende leefomgevingen zijn mogelijk de reden voor de grote variatie van stenen werktuigen.

De Kebariërs lijken de voorouders te zijn geweest van de latere Natufiërs, welke hetzelfde gebied bewoonden.

Kling (archeologie)

Een kling is in de archeologie een voorwerp dat vervaardigd is om mee te snijden en als slag- of steekwapen wordt gebruikt.

In prehistorische tijden (de steentijd) maakten mensen zoals de late neanderthaler en de vroege moderne mens klingen uit vuursteen door het slaan van een lange smalle scherf (afslag) van een stenen kern (kernsteen). Klingen worden gedefinieerd als afslagen die ten minste tweemaal zo lang als breed zijn, met (semi-)parallelle zijden en ten minste twee ribbels op de rugkant. Daarnaast moet het instrument deel uitmaken van een doelgerichte klingenindustrie om als een echte kling te worden beschouwd. Gereedschappen die door toeval kenmerken van klingen vertonen maar niet bewust zo zijn geproduceerd worden niet als echte klingen beschouwd.

Als we de foto beter bekijken zien we links de kling met de rugzijde naar boven, dat noemt men de "dorsale" zijde rechts ligt de kling met de buikzijde naar boven dat noemt men de "ventrale" zijde.

De slagbult die we rechts onder ook zien is de "proximale" kant de punt is de "distale" kant. Deze benaming is terug te lezen in het boek van Jaap Beuker vuurstenen werktuigen.

Klingen waren het favoriete gereedschap van het Laatpaleolithicum, hoewel ze soms al uit eerdere perioden worden gevonden. Hun lange scherpe kanten maken hen bruikbaar voor verschillende doeleinden.

Voor het creëren van een kling is een zachte slagsteen of klopsteen nodig. Ze werden vaak verder bewerkt om schrapers of burijnen te creëren. Soms werd een zijde door het verwijderen van kleine scherven afgestompt om een eenzijdig snijdende kling te verkrijgen. Kleine exemplaren (onder 12 mm) worden microklingen genoemd en werden met name in het Mesolithicum gebruikt in samengestelde gereedschappen.

Gedurende het holoceen werden wapens uitgerust met een gevest. Een kling kan daarmee ook verwijzen naar het Lemmet van een zwaard, sabel, degen of bajonet.

In Europa komen klingen voor vanaf het Châtelperronien.

Een bijzondere ontwikkeling zijn de zogenaamde bladvormige klingen, waarbij de vorm tot in de perfectie wordt uitgewerkt.

Middenpaleolithicum

Het middenpaleolithicum is het middelste gedeelte van het paleolithicum, dat in Europa op ongeveer 300.000 tot 200.000 jaar geleden begon met het begin van de Levalloistechniek, en ongeveer 40.000 jaar geleden met de immigratie van de vroege moderne mens en het begin van het laatpaleolithicum (Aurignacien) eindigde.

In Europa en West-Azië wordt het middenpaleolithicum geassocieerd met de neanderthaler (Homo sapiens neanderthalensis), en volgens sommigen ook nog de late Homo heidelbergensis en vroege moderne mens.

De corresponderende periode in Afrika wordt Middle Stone Age genoemd. Daar ontwikkelde zich de vroege moderne mens, zoals Homo sapiens idaltu, die ongeveer 150.000 jaar geleden in Oost-Afrika leefde en als voorloper van de anatomisch moderne mens wordt gezien.

Voor Zuid- en Oost-Azië wordt de term niet gebruikt.

Ordosien

Het ordosien is een archeologisch complex uit het Midden- tot Laatpaleolithicum op het Ordosplateau in het zuiden van Binnen-Mongolië, China.

De eerste vondsten van Xarusgol werden in 1922 beschreven door de jezuïeten Pierre Teilhard de Chardin en Émile Licent. Ze omvatten een Laat Pleistocene fauna, stenen werktuigen met een eenvoudige levalloistechniek, en fragmentarische resten van de ordosmens, de precieze identificatie waarvan nog onzeker is. De datering van dit materiaal is onzeker, maar waarschijnlijk tot het laatste interglaciaal, het Eemien (126.000-116.000 BP).De stenen werktuigen van de vroege locaties tonen een oorspronkelijke chopper-industrie met relaties tot oudere culturen in China en een Moustéro-Levallois-traditie. Deze zijn erg ruw en ongestandaardiseerd, gemaakt van lokale vuursteenknollen van lage kwaliteit dat bij bewerking vaak afbrokkelde. Gebrek aan goed materiaal was waarschijnlijk ook de oorzaak van een geleidelijk steeds kleiner worden van de artefacten.

Met het Laatpaleolithicum (na 30.000 BP) ziet men het verschijnen van klingen, microlieten en bladvormige klingen van hoge kwaliteit, tot soms 15 cm lang. Deze industrie verspreidde zich verder naar het oosten (Xiachuancultuur), noorden en noordoosten, tot zelfs de Noord-Amerikaanse Cloviscultuur.

Paleolithicum van Japan

Het paleolithicum van Japan duurde van omstreeks 40.000 v.Chr. tot rond 14.000 v.Chr. en het begin van de subneolithische Jomonperiode. Dit komt overeen met de periode van het laatpaleolithicum in Eurazië.

Alle vondsten die een menselijke aanwezigheid op de Japanse eilanden vroeger dan 35.000 v.Chr. zouden aantonen zijn omstreden. De vroeg- en middenpaleolithische mensen van het vasteland van Oost-Azië (Homo erectus en Denisovamens) hebben, voor zover bekend, de eilanden niet bereikt.

De vroegste menselijke resten zijn gevonden in Hamamatsu, waarbij C14-datering een leeftijd van 12.000 tot 16.000 v.Chr. aangaf.

Prehistorie

Prehistorie, voorgeschiedenis of oertijd is een periode in de menselijke geschiedenis. Over de precieze afbakening en het definiëren van deze periode bestaat behoorlijk wat discussie. In ruimere zin wordt de term gebruikt voor de geschiedenis die héél erg lang geleden is, alhoewel dat een vaag begrip is. In principe kan dan met de term de gehele geschiedenis van de aarde sinds haar ontstaan worden bedoeld, maar vaak wordt als men over prehistorie praat alleen gedoeld op dat gedeelte van de geschiedenis sinds dat het leven ontstaan is, of zelfs sinds dat de mensachtigen (voorouders van de menselijke soort) ontstaan zijn. Als begin- en eindpunt van de prehistorie worden in het spraakgebruik ook verschillende markante punten uit de geschiedenis gehanteerd, zoals het ontstaan van de menselijke soort of (in de westerse wereld) de geboorte van Christus, of een ander markante gebeurtenis zoals de eerste geschreven bron.

De wetenschappelijke en meest gangbare definitie van de prehistorie is namelijk: die periode uit de geschiedenis waarvan we geen geschreven bronnen hebben gevonden, of deze bronnen niet begrijpen. Het eindpunt van de prehistorie is dan het jaar waarin de oudst bekende én ontcijferde bron is geschreven. Dit kan echter per cultuur of gebied op aarde verschillen. Uit China of Egypte zijn bijvoorbeeld veel oudere geschreven bronnen bekend dan uit West-Europa. De Egyptische hiërogliefen werden echter pas in 1822 ontcijferd. Vóór die tijd was de Egyptische beschaving dus prehistorie, vanaf 1822 behoort ze tot de 'geschiedenis'.

Paul Tournal bedacht de term Pré-historique oorspronkelijk om de vondsten die hij in grotten in Zuid-Frankrijk had gedaan te beschrijven. Het woord werd in 1830 opgenomen in het Frans om de periode voor de uitvinding van het schrift aan te duiden en in 1851 door Daniel Wilson in het Engels geïntroduceerd.

Siberische eenhoorn

De Siberische eenhoorn (Elasmotherium sibiricum) was een neushoornsoort die leefde tot ongeveer 39.000 of zelfs 29.000 jaar geleden. Dit is de periode van het Laatpaleolithicum, wat zou betekenen dat de vroege moderne mens hem nog gekend zal hebben.

Steentijd in Zuid-Azië

De steentijd in Zuid-Azië omvat de paleolithische, epipaleolithische en neolithische tijdperken in India, Pakistan, Nepal, Bangladesh en Sri Lanka.

Het onderzoek naar het stenen tijdperk in Zuid-Azië begon onder Britse heerschappij. In 1863 vond Robert Bruce Foote bij Pallavaram een vuistbijl van kwartsiet. Foote zou daarna een belangrijke rol blijven spelen bij het onderzoek naar de Indische prehistorie.

Stenen werktuig

Stenen werktuigen zijn alle geheel of gedeeltelijk uit steen gemaakte werktuigen. Hoewel er nog steeds van stenen werktuigen afhankelijke maatschappijen en culturen bestaan, wordt het begrip meestal gebruikt in een prehistorische verband, met name met betrekking tot steentijd-culturen.

Steen is door de geschiedenis heen voor een breed scala aan werktuigen gebruikt, zoals snijwerktuigen, speerpunten, pijlpunten en bijlen. Werktuigen zijn gemaakt van cryptokristallijn materiaal zoals vuursteen, radiolariet, chalcedoon, basalt, kwartsiet en obsidiaan. Daarbij zijn twee debitage- of steenbewerkingstechnieken ontwikkeld, de kerntechniek en de afslagtechniek.

Bij de kerntechniek wordt een knol bewerkt tot het gewenste werktuig resteert, de kern. De afslag is hierbij afval en uit een knol wordt slechts een werktuig gehaald. Deze techniek werd vooral in het Vroegpaleolithicum toegepast. Choppers, chopping tools en vuistbijlen zijn hiervan typische voorbeelden.

Bij de afslagtechniek zijn de afslagen niet langer afval, maar worden ze verder bewerkt tot werktuigen. Deze techniek ontwikkelde zich vanaf het Middenpaleolithicum. De kling en microkling zijn hiervan de voorbeelden.

Het afslaan staat bekend als lithische reductie. Een eenvoudige vorm van reductie is om afslagen van een kernsteen te slaan met behulp van een klopsteen of een klopper van hout of been. Als de productie van deze afslagen het doel van de reductie was, kan het resterende kernstuk (nucleus) worden weggegooid zodra het te klein is geworden voor bruikbare afslagen. Soms wordt de resterende kern tot een ruwe een- of tweezijdige voorvorm, waarvan de rand dan verder met behulp van zachte tikken of met een druktechniek wordt bijgewerkt. Meer complexe vormen van reductie betreffen de productie van gestandaardiseerde bladen, die vervolgens tot een verscheidenheid van werktuigen zoals schrapers, messen, sikkels en microlieten kunnen worden gevormd.

Een aparte categorie vormen de geslepen stenen werktuigen. Deze werden belangrijk tijdens de nieuwe steentijd, toen de opkomende landbouw een nieuw type werktuig vereiste.

Voet (anatomie)

De voet is het lichaamsdeel waarop men staat en dat gebruikt wordt voor de voortbeweging. De voet is het naar voren gerichte uiteinde (onder de enkel) van het been (bij mensen) of de achterpoot (bij sommige dieren).

Vroege moderne mens

De vroege moderne mens (Engels: Early Modern Humans, EMH) is de anatomisch moderne mens van de Afrikaanse Middle Stone Age en het Euraziatische Laatpaleolithicum tot ongeveer 10.000 jaar geleden. Dit mensentype was de belangrijkste voorouder van de huidige mens, hoewel lokaal ook andere mensentypes een genetische bijdrage geleverd hebben.

Wiltoncultuur

De Wiltoncultuur is een archaeologische cultuur voor het eerst geïdentificeerd in Wilton, een dorp in de provincie Oost-Kaap (Zuid-Afrika), en kort daarna elders in Oost-Mashonaland (Zimbabwe).

De Wiltonmensen verspreidden zich over Centraal- en Zuidelijk Afrika van het 6e millennium v.Chr. tot de komst van de Bantoevolken net voor het 1e millennium v.Chr. In marginale zones zou de cultuur, hoewel sterk veranderd, zelfs overleven tot in de 13e eeuw.

Ze wordt gerekend tot het Afrikaanse laatpaleolithicum, hoewel ze in sommige opzichten vergelijkbaar is met het Europese mesolithicum.

In andere talen

This page is based on a Wikipedia article written by authors (here).
Text is available under the CC BY-SA 3.0 license; additional terms may apply.
Images, videos and audio are available under their respective licenses.