Klei

Klei is een klastisch sedimentair gesteente, dat voornamelijk bestaat uit lutum, gronddeeltjes kleiner dan 2 µm.

Het verschil met zand is dat zand bestaat uit kleine rotsblokjes (als gevolg van erosie door water, wind en/of temperatuurverschillen) en klei bestaat uit (kleine) kleiplaatjes. Kleiplaatjes zijn chemisch gevormd en bestaan uit silicium- en aluminiumzouten. Als gevolg van de plaatjesvorm en chemische samenstelling heeft een kleiplaatje een positieve en een negatieve kant waardoor water en mineralen beter worden vastgehouden. Samen met het humusgehalte (voor zowel zand- als kleigrond) bepaalt dat een groot deel van de vruchtbaarheid van de grond.

Indien de grond voor meer dan 25% bestaat uit lutumdeeltjes is er sprake van klei. Bij 25% tot 35% lutum is er sprake van lichte klei, bij 35% tot 50% is er sprake van matig zware klei en bij meer dan 50% lutum is er sprake van zware klei.

Klei bestaat uit kleimineralen, waarvan vele soorten bestaan. Kleigronden zijn, vergeleken met zand, slecht waterdoorlatend. In droge tijden houden ze veel langer water vast, maar in natte tijden verdrinken gewassen eerder. Ook hebben kleigronden minder last van uitspoeling van mineralen zoals nitraat en fosfaat dan zandgronden. Hierdoor houden ze beter voedselstoffen voor planten vast en zijn ze over het algemeen voedselrijk. Pogingen om in het kader van natuurbeheer kleigronden te verschralen zijn nutteloos of moeten zeer lange tijd worden volgehouden. Kleigronden zijn structuurgevoeliger dan de meeste zandgronden. Het organische stofgehalte moet op peil gehouden worden (door het aanbrengen van organische mest en keuzes in het bouwplan) en bekalking. Kleigrond is gevoeliger voor structuurbederf door zware machines dan zandgrond. Bodemleven en ook een vorstperiode (als gevolg van het uitzetten en inkrimpen van ijs) doet de bewerkbaarheid van kleigrond in het daaropvolgende teeltseizoen goed.

Leisteen bestaat uit klei dat door nieuwe afzettingen is samengedrukt (vergelijk zandsteen). Grote delen van bijvoorbeeld de Eifel daar waar het oppervlak bestaat uit verweerd leisteen zijn dan ook redelijk vruchtbaar.

Klei komt in Nederland voornamelijk voor in de kuststreken (zeeklei) en langs de rivieren (rivierklei) en meer landinwaarts op hogere gedeelten beekklei of leem. Kleigronden die ontwaterd worden, komen lager te liggen, doordat het water dat zorgde voor meer ruimte tussen de kleideeltjes verdwenen is en de kleideeltjes dichter op elkaar komen te zitten. Dit verschijnsel wordt inklinken (of klink) genoemd. Klink is een van de factoren die bijdragen aan bodemdaling.

Clay-ss-2005
400.000 jaar oude kleigrond in Estland
Clay magnified
Kleideeltjes 23.500 maal vergroot

Toepassing

Sommige kleisoorten, zoals potklei en beekklei, worden gebruikt voor traditioneel keramiek, zoals aardewerk of baksteen, in de beeldhouwkunst of om mee te boetseren. In de dijkenbouw en andere civieltechnische constructies wordt zowel klei als keileem gebruikt.

Klei die een zekere hoeveelheid water bevat, kan men kneden in elke gewenste vorm. Laat men de klei hierna drogen, dan wordt hij hard. Door wateropname kan de klei echter daarna nog weer zacht worden. Als klei gebakken wordt in een oven bij een temperatuur van 900 graden, wordt hij hard doordat de kleideeltjes aan elkaar bakken. Voor de 573 graden (wanneer de apha in Beta verandert, de zogenoemde kwartssprong) is het nog mogelijk om de klei weer zacht te krijgen. Na de 573 graden is dit niet meer mogelijk. Ga je nog hoger bakken, tegen het smeltpunt van de klei, dan wordt dat sinteren of verglazing genoemd.

Door andere materialen aan klei toe te voegen kan men speciale eigenschappen krijgen, zoals bij papierklei of vlasklei. Klei wordt ook gebruikt als grondstof voor cement.

Zie ook

Bronnen, noten en/of referenties
  • Meulen, M. van der, Lang, F. de, Maljers, D., Dubelaar, W., Westerhoff, W., 2002. Grondstoffen en delfstoffen bij naam. Publicatiereeks grondstoffen 2002/21, Dienst Weg- en Waterbouwkunde, Delft & TNO-NITG, 96 pp. ISBN 90-369-5509-2.
Grondsoorten

Fluviatiel of marien: grind · zand · zavel · leem · klei     Kalkhoudend: kalk · mergel · moeraskalk · travertijn
Eolisch: zandlöss · löss     Glaciaal: keimergel · keileem     Organogeen: hoogveen · laagveen

Korrelgrootte: lutum (<2µm) · silt (2 tot 63µm) · zand (63µm tot 2mm) · grind (2mm tot 63mm) · stenen (63mm tot 200mm) · keien (200mm tot 630mm) · blokken (> 630mm)

In andere talen

This page is based on a Wikipedia article written by authors (here).
Text is available under the CC BY-SA 3.0 license; additional terms may apply.
Images, videos and audio are available under their respective licenses.