Joodse Oorlog

De Joodse Oorlog, ook wel Joodse opstand genoemd, woedde in Judea en Galilea van 66 tot 70 na Chr. Joodse rebellen, aangevoerd door de Zeloten, kwamen in opstand tegen de Romeinen. Met de val van Jeruzalem en de verwoesting van de tempel (29-30 augustus 70) kwam er een einde aan de oorlog, hoewel pas met de verovering van Masada in het jaar 73 een einde kwam aan het laatste Joodse verzet.

Joodse Oorlog
Soort Opstand
Periode 66 tot 70 na Chr.
Partijen Joodse rebellen  Romeinen
Leiders Zeloten  Vespasianus
Titus
Sterkte onbekend  60.000 legionairs
Verliezen 600.000 tot 1.300.000 doden  onbekend
Plaats Jeruzalem
Judea
Galilea
Casus belli Romeinse beslaglegging op geld uit de Tempelkas
Uitkomst Verwoesting van Jeruzalem en wegvoering van overlevenden naar de slavenmarkten in het Romeinse rijk
Belegering en verwoesting van Jeruzalem (David Roberts, 1850)
Belegering en verwoesting van Jeruzalem (David Roberts, 1850)

Achtergrond

Vanaf 6 na Chr. werd Judea een Romeinse provincie geregeerd door praefecti. Zij waren verantwoordelijk voor de rust en belastinginning. Rome stelde een bepaald belastingtarief vast dat afgedragen moest worden. Deze praefecti hadden ook de bevoegdheid de hogepriester te benoemen. De hoge belastingdruk en de benoeming van de hogepriester leidde tot wrevel bij de Joden.

Herodes Agrippa I had een goede band met keizer Caligula en kon het land terug herenigen (41-44). Na zijn dood werd Judea terug een onderdeel van Syria en werd het geleid door Procuratores, deze hadden niet het recht om de hogepriester aan te stellen.

Oorlog van 66 tot 70

Gedurende de volgende jaren waren er voortdurend irritaties en provocaties wederzijds maar tot een regelrechte opstand leidde dit nog niet. Maar toen in 66 procurator Gessius Florus in opdracht van keizer Nero een groot bedrag uit de tempelkas nam, die bestond uit de tienden die iedere Jood jaarlijks afstond voor de instandhouding van de tempeldienst, brak een opstand uit in Caesarea nadat Grieken de plaatselijke synagoge hadden ontheiligd. De opstand sloeg over naar Jeruzalem waar het Romeinse garnizoen werd verslagen. De bestuurder van Syria stuurde versterkingen naar Judea om de rust te herstellen maar deze werden eveneens verslagen.

Toen greep keizer Nero in en stuurde zijn in diskrediet geraakte generaal Vespasianus naar Caesarea met 60.000 legioensoldaten (Legio XV Apollinaris, Legio V Macedonica, Legio X Fretensis en Legio XII Fulminata). Vespasianus ging grondig te werk en tegen 68 had hij Galilea en de kuststrook onder controle. De overlevende opstandelingen verschansten zich in Jeruzalem. In een korte burgeroorlog werden alle joden die wilden onderhandelen met de Romeinen vermoord door de fanatici onder de joden, de zeloten.

Ondertussen was Nero in 68 gestorven en Vespasianus' soldaten verklaarden hun generaal tot de nieuwe keizer. Vespasianus ging naar Rome om de troon op te eisen en liet het verder neerslaan van het verzet over aan zijn zoon Titus.

Verwoesting van Jeruzalem

Francesco Hayez 017
Schilderij met verbeelding van de vernietiging van de Joodse Tempel, Francesco Hayez

Titus begon onmiddellijk met de belegering van Jeruzalem. Nadat de joodse verdediging ernstig verzwakt was door hongersnood, kwam de laatste bestorming door de Romeinen op 29-30 augustus van het jaar 70. Dit wordt nog steeds door de joden herdacht op Tisja be'Aaw. Er was voor de joden geen houden meer aan en de hele stad werd in de as gelegd. Hoewel Titus de tempel ongeschonden in handen wilde krijgen, ging deze eveneens in vlammen op. Naar schatting 100.000 verdedigers en inwoners kwamen om het leven. Het totale aantal slachtoffers van deze oorlog wordt geschat op 600.000 tot 1.300.000 doden. De Romeinen slachtten hele families af, waaronder iedereen die verdacht werd een afstammeling te zijn van het huis van koning David.

Afloop

Vista general de Masada
De ruïnes van Massada

De overlevenden werden verkocht op de slavenmarkten van het Midden-Oosten, waarbij de prijs door de grote aanvoer enorm kelderde. De laatste verzetshaarden, waaronder het op een hoge, onneembare rots gelegen fort Massada aan de Dode Zee, werden ingenomen in 73. De joden in Massada hadden massaal zelfmoord gepleegd voordat de Romeinen binnenvielen.

Keizer Domitianus, de broer en opvolger van Titus, liet later, vermoedelijk in het jaar 81, in Rome een triomfboog oprichten ter ere van het neerslaan van de opstand. Op deze Boog van Titus is thans nog te zien hoe veroverde tempelschatten zoals de zevenarmige kandelaar in triomf door Rome gedragen werden.

Een belangrijke informatiebron voor de Joodse oorlog is de Romeins-Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus, die onder andere een boek over de Joodse Oorlog schreef.

Zie ook

Die Belagerung Masadas 19Jh

De Belegering van Massada

Jerusalem Modell BW 2

Model van de tweede tempel van Herodes

Sack of jerusalem

Triomfboog van Titus, Rome. Voorwerpen uit de Tempel worden als krijgsbuit meegevoerd.

Bronnen, noten en/of referenties
  • Flavius Josephus, De Joodse Oorlog & Uit mijn leven., trad. comm. F.J.A.M. Meijer - M.A. Wes, Ambo/Baarn, 1992. ISBN 9026311524
    • Deze vertaling is gebaseerd op de oorspronkelijke Griekse tekst (editio maior van Niese-Destinon, Berlin 1894) en de Josephus-editie van J.Thackeray (Loeb Classical Library, London 1976). (Bron: pag.58-60, Verantwoording en bibliografie). M.a.w. de Latijnse versie De Bello Judaico is zelf al een vertaling (Bron: pag. 17-18, III. Vertalingen).
66

Het jaar 66 is het 66e jaar in de 1e eeuw volgens de christelijke jaartelling.

Cimbrische Oorlog

De Cimbrische oorlog (113 v.Chr. - 101 v.Chr.) werd uitgevochten door de Romeinse Republiek en de migrerende Proto-Germaanse stammen van de Cimbren en de Teutonen. Het markeerde de eerste confrontatie tussen Rome en de Germaanse stammen, tegen wie de Romeinen hun kostbaarste nederlaag leden sinds de Tweede Punische Oorlog, een eeuw eerder.

Voor het eerst sinds de dagen van Hannibal werden Italië en Rome zelf ernstig bedreigd. Een dreiging die leidde tot fundamentele hervormingen van het Romeinse leger en de staat, die een significante weerslag zou hebben op het verloop van de geschiedenis.

De Joodse oorlog

De Joodse oorlog (Oudgrieks: Φλαυίου Ἰωσήπου ἱστορία Ἰουδαϊκοῦ πολέμου πρὸς Ῥωμαίους βιβλία / Phlauiou Iōsēpou historia Ioudaikou polemou pros Rōmaious biblia; Latijn: De Bello Iudaico) is een boek over de Joodse Oorlog, geschreven door de eerste-eeuwse Romeins-Joodse geschiedschrijver en hagiograaf Flavius Josephus. Deze oorlog volgde op een opstand van Joden in Palestina tegen de Romeinse overheersing en duurde van 66 tot 70 na Chr.

Josephus speelde zelf ook een rol in deze Joodse oorlog. De opstandelingen verdelen het land in een aantal militaire districten, elk met een bevelhebber. Josephus krijgt hierbij Galilea en Gaulanitis toegewezen. De Romeinse generaal Vespasianus, die later keizer zal worden, krijgt van keizer Nero de opdracht de rust in Palestina te herstellen. In 67 trekt hij met een leger vanuit Antiochië richting Galilea. Zijn zoon Titus (die zijn vader later op zal volgen als keizer) voegt zich bij hem met een Egyptisch leger. Het resulterende leger van 60.000 soldaten zet vervolgens de aanval in. Ze veroveren de ene na de andere stad in Galilea op de opstandelingen. Josephus slaat met zijn leger op de vlucht en trekt zich uiteindelijk terug in Jotapata. Wanneer de Romeinen Jotapata innemen geeft Josephus zich over. Hetzelfde jaar nog hebben de Romeinen het noorden van Palestina heroverd, waarmee de eerste fase van de herovering van Palestina succesvol verlopen is.

Josephus wordt nadat hij zich bij Jotapata overgegeven heeft voorgeleid aan Vespasianus. Titus, Vespasianus' zoon, voorkomt dat Josephus terechtgesteld wordt, zo luidt althans het verhaal van Josephus. Om te voorkomen dat hij vervolgens naar Rome (naar keizer Nero, die Josephus al eens ontmoet heeft tijdens een diplomatieke missie) gestuurd zal worden regelt Josephus een onderhoud met Vespasianus en Titus, waarbij hij voorspelt dat Vespasianus keizer zal worden. Als deze voorspelling later uitkomt wordt Josephus vrijgelaten; weer op voorspraak van Titus. Het is daarom misschien niet verwonderlijk dat Josephus Titus in De Joodse oorlog als een held neerzet.

De laatste gebeurtenis die Josephus beschrijft waarvan de datum bekend is, is de inwijding van de Vredestempel (Templum Pacis) in Rome, in het jaar 75. Verder vertelt Josephus dat hij een exemplaar van De Joodse oorlog heeft aangeboden aan Vespasianus, die in 79 stierf. Josephus voltooide het boek dus tussen 75 en 79 n.Chr. De stijl is vaak retorisch en sommige anekdotes zijn ongetwijfeld overdreven. Ook bevat het boek redevoeringen die Josephus verschillende hoofdpersonen in de mond legt, zoals Thucydides ook deed. Desondanks blijkt de tekst op veel andere punten historisch juist.

Josephus begint zijn geschiedenis van de Joodse oorlog ver voor het begin van die oorlog, namelijk in 170 v.Chr., toen Palestina nog tot het Seleucidische Rijk behoorde. Veel aandacht besteedt hij aan opkomst en regering van Herodes de Grote (circa 73 - 4 v.Chr). Pas in boek 3 komt het begin van de Joodse oorlog aan de orde. Het boek eindigt met onlusten onder de Joden in Cyrene (in het huidige Libië). Deze onlusten zouden verzoorzaakt zijn door een Sicariër die daar na de Joodse oorlog naartoe gevlucht was.

De Joodse oorlog is onderverdeeld in zeven 'boeken'. Josephus schreef De Joodse oorlog eerst in het Aramees, maar deze Aramese versie is niet bewaard gebleven.

In 1482 verscheen een gedeeltelijke vertaling in het Nederlands, gebaseerd op een Latijnse vertaling. In 1552 verscheen er een Nederlandse vertaling van de hand van Nicolaus van Winghe. De meest recente vertaling is die van Fik Meijer en Marinus Wes, waarvan de eerste druk verscheen in 1992.

Essenen

De Essenen is de naam van een joodse religieuze partij tussen het midden van de 2e eeuw v.Chr. en het neerslaan van de Joodse Opstand door de Romeinen in 70. Hoewel de Essenen regelmatig worden gelijkgesteld met de sekte in Qumran, vlak bij de Dode Zee (zie verderop), is die opvatting onjuist. De gelijkschakeling komt doordat Plinius de Oudere schreef dat de Essenen bij de Dode Zee woonden. Maar zowel Philo als Flavius Josephus vermeldden dat er ongeveer 4000 Essenen waren, terwijl de nederzetting in Qumran plaats bood aan ten hoogste 400 personen. Josephus schreef ook dat de Essenen in diverse steden woonden.

BelangEr is relatief veel bekend over de Essenen en de Qumran-sekte, vooral door de ontdekking van de Dode Zee-rollen bij Qumran, met daarin Bijbelcommentaren en documenten als het Verbond van Damascus (waarvan in 1897 al middeleeuwse afschriften waren gevonden in Egypte), archeologische opgravingen, Josephus, Plinius de Oudere en Philo. De Essenen worden in het Nieuwe Testament niet genoemd.

Het gegeven dat er zo veel bronnen zijn over de Essenen, inclusief zeer beroemde primaire bronnen (de Dode Zee-rollen), maakt dat het belang van de Essenen regelmatig wordt overschat of dat hun opvattingen bijvoorbeeld worden gezien als kenmerkend voor het judaïsme in de tijd van Jezus. Van de sadduceeën, een partij in dezelfde periode, is geen enkele primaire bron bewaard gebleven en de opvattingen van de farizeeën moeten met veel moeite worden "gereconstrueerd" aan de hand van latere rabbijnse literatuur. Terwijl deze laatste partijen veel belangrijker waren in die periode, krijgen ze door het ontbreken van primaire bronnen vaak onvoldoende aandacht in vergelijking met de Essenen. Vervolgens moet in gedachten worden gehouden dat alle partijen en sektes slechts een minderheid waren en een afwijking van het "gewone" judaïsme.

Flavius Josephus

Titus Flavius Josephus (Jeruzalem, 37 - Rome, ±100), oorspr. naam Josef ben Mattijahu (Hebreeuws: יוסף בן מתתיהו) genoemd, was een Romeins-Joodse geschiedschrijver en hagiograaf van priesterlijke en koninklijke afkomst. In zijn twee belangrijkste werken Oude geschiedenis van de Joden (ca. 94 n.Chr.) en De Joodse oorlog (ca. 75 n.Chr.) ligt het accent op de eerste eeuw n.Chr., vooral op de Joodse opstand tegen de Romeinse bezetting in de periode 66 - 70 n.Chr. (de Eerste Joodse Oorlog) die resulteerde in de vernietiging van Jeruzalem in 70.

Josephus schreef zijn werken in het Koinè-Grieks om voor een Romeins publiek de geschiedenis van de wereld vanuit Joods perspectief uit te leggen. Deze werken geven waardevol inzicht in het jodendom in de eerste eeuw en de achtergrond van het vroege christendom. Zelf hield Josephus zich aan de wet van Mozes en geloofde in de mogelijkheid het jodendom en het Grieks-Romeinse denken te verenigen in wat wel Hellenistisch judaïsme wordt genoemd. Hoewel hierover controverse is onder historici, lijkt Josephus als een van de eersten buiten de auteurs van het Nieuwe Testament Jezus en zijn titel "Christus" te hebben vermeld.

Gessius Florus

Gessius Florus was procurator over Judea van 64 tot aan het uitbreken van de Joodse Oorlog in 66 na Chr.

Florus was afkomstig uit Clazomenae in Asia en behoorde tot de stand van de equites. Zijn vrouw Cleopatra was goed bevriend met Poppaea, de vrouw van keizer Nero. Aan deze vriendschap had Florus volgens Josephus zijn benoeming in Judea te danken.De belangrijkste bron voor het optreden van Florus is de Joodse historicus Flavius Josephus. Hij beschuldigt Florus ervan de corruptie die Florus' voorganger Lucceius Albinus aan het einde van zijn bewindsperiode min of meer heimelijk had ingesteld, openlijk te praktiseren. Bandieten konden ongestoord hun gang gaan doordat zij gerechtelijke vervolging konden afkopen. Verder liet Florus verschillende dorpjes uitplunderen, ook wanneer er slechts geringe beschuldigingen tegen hen waren, om zichzelf op deze manier te verrijken. Volgens Josephus liep "Florus (...) openlijk te paraderen met zijn misdadig gedrag tegenover ons [= de Joden], alsof hij juist gestuurd was om een demonstratie te geven van schurkachtigheid. Geen enkele vorm van graaien en grijpen en geen enkele vorm van onterechte bestraffing liet hij onbeproefd." Josephus beschuldigt Florus er zelfs van de Joodse opstand met opzet uitgelokt te hebben. Volgens Josephus probeerde Florus op die manier zijn corruptie te verbloemen en te voorkomen dat hij zich in Rome voor zijn gedrag zou moeten verantwoorden.

Het beeld dat Josephus schetst, is uiterst negatief en het is duidelijk dat er in zijn typering sprake is van retorische overdrijving. Op grond van concrete situaties die uit de periode van Florus' procuratorschap beschreven worden, waarbij Florus en zijn troepen hard en provocatief reageerden op relatief kleine incidenten, beschouwen moderne historici Florus' optreden inderdaad als hard en tactloos was. Zij zien daarin echter niet de voornaamste oorzaak van de Joodse Oorlog. Zij wijten deze eerder aan toenemende spanningen tussen de sociale klassen in het toenmalige Joodse land (zowel binnen Judea zelf als interregionaal), die min of meer samenvielen met sympathie voor en antipathie tegen de Romeinse overheersers. De incidenten die plaatsvonden onder Florus' procuratorschap functioneerden eerder als catalysator om deze spanningen tot een uitbarsting te laten komen, dan als de oorzaak ervan.Na het uitbreken van de Joodse Oorlog werd Marcus Antonius Julianus in Florus' plaats benoemd, al lijkt hij in de praktijk niet als zodanig gefunctioneerd te hebben. Hoe Nero over Florus' optreden in Judea heeft geoordeeld, is in antieke bronnen niet overleverd. Evenmin is er iets bekend over Florus' latere leven en over zijn dood.

Herodes Antipas

Herodes Antipas (Ἡρῴδης Ἀντίπατρος) (geboren voor 20 v.Chr.; overleden na 39), was in de eerste eeuw tetrarch van Galilea en Perea. Antipas was een zoon van Herodes de Grote. Toen Herodes de Grote stierf in 4 v.Chr., erfde elk van zijn vier zoons een vierde deel van het koninkrijk van zijn vader, een vazalstaat van het Romeinse Rijk.

Antipas liet de steden Sepphoris en Betharamphtha en, belangrijker, zijn hoofdstad Tiberias op de westelijke oever van het Meer van Galilea bouwen. Tiberias, genoemd naar keizer Tiberius, werd na de verwoesting van Jeruzalem een centrum van het Rabbijnse jodendom en is een van de heilige plaatsen van het jodendom.

In het Nieuwe Testament speelt Antipas een rol in de gebeurtenissen die leidden tot de terechtstelling van Johannes de Doper en van Jezus van Nazaret.

Jochanan ben Zakkai

Jochanan ben Zakkai (30 - 90) was een van de tannaim, en een belangrijke Joodse wijze in de periode van de Tweede Joodse Tempel. Hij leverde een belangrijke bijdrage aan het ontstaan van de Misjna.

Legio XII Fulminata

Legio XII Fulminata (Fulminata betekent 'die de bliksemschicht hanteert') was een Romeins legioen, opgericht door Julius Caesar in 58 v.Chr. en actief tot minstens het begin van de vijfde eeuw. Het legioen werd ook wel aangeduid met andere bijnamen, te weten Paterna, Victrix, Antiqua, Certa Constans en Galliena. Het symbool van het legioen was een bliksemschicht (fulmen).

Legio XV Apollinaris

Legio XV Apollinaris is een door Octavianus opgericht legioen gewijd aan Apollo en vermoedelijk ontstaan rond 41 of 40 v.Chr. Na de slag bij Actium is ze in Illyricum gelegen. Sinds 9 n.Chr. ligt ze in de nieuw gevormde provincia Pannonia, misschien in Emona. Vanaf 14 n.Chr. vindt ze waarschijnlijk haar standplaats in Carnuntum. Daar zal ze op aanstichting van een zekere Percennius, samen met het Legio VIII Augusta en Legio IX Hispana, in opstand komen bij het horen van het heengaan van Augustus. Tiberius' zoon Drusus minor slaagt er echter in de opstand neer te slaan.

In 62 of 63 n.Chr. wordt ze naar Syria verlegd, waar ze van 66 tot 70 deelneemt aan de Joodse oorlog, onder leiding van Titus, samen met V Macedonica, X Fretensis en XII Fulminata. Hierna keert ze terug naar de Donaustreek. Enkel afdelingen strijden mee in de Dacische oorlogen van Traianus, waarna het gehele legioen verplaatst wordt om mee te vechten in de Parthenoorlog in het oosten. Uiteindelijk wordt ze te Satala in Cappadocia gelegerd.

In 175 n.Chr. laat Avidius Cassius, de stadhouder van Syria, zich tegen Marcus Aurelius als keizer uitroepen. Het Legio XV Apollinaris blijft de keizer trouw en krijgt na het neerslaan van de opstand de bijnamen Pia Fidelis.

Legio XXII Deiotariana

Legio XXII Deiotariana (voluit legio vigésima secunda) was een Romeins legioen, waarschijnlijk opgericht rond 48 v.Chr. door de Galatische koning Deiotarus.

Legio X Fretensis

Legio X Fretensis was een Romeins legioen, opgericht door Octavianus (de latere keizer Augustus) in 41 of 40 v.Chr. om aan zijn zijde te strijden in de Romeinse burgeroorlog in de nadagen van de Romeinse Republiek. De aanduiding Fretensis ('van de zeestraat') verwijst naar de overwinning die het legioen behaalde in de slag bij Naulochus, die plaatsvond in de straat van Messina (Fretum Siculum).

Het legioen is in de geschiedenis vooral bekend geworden door de rol die het speelde in de Joodse Oorlog. Veel plaatsen, verspreid over Galilea en Judea, werden door dit legioen veroverd. Bij de belegering van Jeruzalem maakte het legioen naam met zijn oorlogsmachines. Na de val van Jeruzalem was het dit legioen dat afrekende met de nog overgebleven verzetshaarden, bijvoorbeeld op Masada.

Het legioen was actief tot minstens 410 na Chr. Het maakte gebruik van verschillende symbolen: een stier, een trireem, een dolfijn, de god Neptunus en een zwijn.

Lijst van hogepriesters van Israël

Deze lijst bevat de namen van de hogepriesters van het oude Israël. Volgens de Tenach werd deze lijn begonnen door Aäron, die na de exodus hogepriester werd in de Tabernakel. Het hogepriesterschap werd van vader op zoon doorgegeven. Later werd Sadok, een afstammeling van Aäron, hogepriester in de Tempel van Salomo. Deze tempel en heel Jeruzalem werden vernietigd in 587 v.Chr. Na vijftig jaar werd de tempel herbouwd (de "tweede tempel") en Zerubbabel, een afstammeling van Aäron, werd hogepriester. Jason was de laatste Aäronitische hogepriester. Daarna werden hogepriesters aangesteld door koningen en hoefden niet meer tot een hoogpriestelijk geslacht te behoren.

De meeste historici betwijfelen of alle hogepriesters tot aan Jason wel tot dezelfde familie behoorden.

Magdala (Bijbel)

Magdala is een Bijbels vissersdorp gelegen aan de linkeroever van het Meer van Tiberias en is tijdens Joodse Oorlog (66 - 70 na Chr.) met de grond gelijkgemaakt. De voor ons meest gekende figuur uit deze stad is de Bijbelse Maria Magdalena.

Volgens Laurence Gardner kan de stad worden geïdentificeerd met Magdala Nunaiya dat vistoren betekent, waar vis werd gedroogd. De stad Magadan in Mattheus 15:39 zou dezelfde plaats zijn.Vandaag zou het een deel zijn van de stad Migdal in het noorden van Israël.

Oude geschiedenis van de Joden

De Oude Geschiedenis van de Joden, ook wel bekend als de Joodse Oudheden, (oorspronkelijke Griekse titel Ioudaïkè Arkhailogia; Latijnse titel Antiquitates Judaicae, vaak afgekort AJ) is een verhaal in twintig boeken, in het Grieks geschreven tussen 79 en 94 na Christus door Flavius Josephus, dat, aldus de schrijver, de "complete oude geschiedenis" bevat van "ons Joedajoi" die tussen 536 voor Chr. en 73 na Chr. leefden in en rond Palestina, vanaf 44 na Chr. in de toenmalige Romeinse provincie Judaea, daarbij geleidelijk steeds verder uiteenvallend door eeuwen van interne machtsstrijd escalerend tot openlijke bendeoorlogen. De jaren 66-73 na Christus behandelt Josephus niet in dít werk want daarover had hij eerder al zijn werk de Joodse oorlog tegen de Romeinen doen verschijnen.

Sanhedrin (gerechtshof)

De term sanhedrin (ook wel sanhedrien, Hebreeuws: סַנְהֶדְרִין) is afgeleid van het Griekse: συνέδριον, synedrion, "samen zitten" (Latijn: synedrium), een term die een bijeenkomst aanduidde. De aard van een dergelijke bijeenkomst is afhankelijk van de context en kan uiteenlopen van een raadpleging tot een proces. De rabbi's leenden het Griekse woord en gebruikten het in de Misjna bij hun behandeling van rechtszaken en processen. Om deze reden duidt "het Sanhedrin" in moderne Europese talen het joodse gerechtshof aan of een ander opperste gerecht of hoge raad in het eerste-eeuwse Palestina. Het Sanhedrin uit de Misjna bestond uit 71 mannen: een voorzitter, de Nasi (soms was dit de Hogepriester), een vicevoorzitter juridische zaken (Av Beit Din) en 69 algemene leden.

Sextus Vettulenus Cerialis

Sextus Vettulenus Cerialis was een Romeins legeraanvoerder en politicus in de eerste eeuw na Chr.

Cerialis was afkomstig uit Raete, niet ver van Rome. Hij behoorde tot de senatoriale stand. Onder keizer Nero bekleedde hij het prestigieuze ambt van quaestor Augusti. Vervolgens diende hij als praetor Augusti.Tijdens de Joodse oorlog was Cerialis legatus legionis van het Legio V Macedonica, een van de Romeinse legioenen die werd ingezet om de opstand neer te slaan (67-70). Zelf stond Cerialis daarbij onder bevel van Vespasianus en later van diens zoon Titus. Een van de wapenfeiten van Cerialis tijdens de Joodse oorlog is dat hij met een regiment ruiters in 68 de steden in Idumea voor der Romeinen wist te heroveren op de opstandelingen.Na de val van Jeruzalem in 70 keerde Titus terug naar Rome. Cerialis werd nu legatus Augusti pro praetore over Judea en kreeg daarmee het bevel over alle Romeinse troepen in de provincia, waaronder het Legio X Fretensis. In 71 werd hij afgelost door Sextus Lucilius Bassus. Cerialis keerde daarop terug naar Rome.

In 72-73 werd Cerialis verkozen tot consul suffectus. Vervolgens diende hij als legatus Augusti pro praetore in Moesia (74/75 - 78/79). Vermoedelijk bekroonde hij zijn carrière als proconsul van Africa. Of hij hier ook overleed of dat hij later terugkeerde naar Rome valt uit de beschikbare historische bronnen niet op te maken.

Terentius Rufus

Terentius Rufus was een Romeins legeraanvoerder tijdens de Joodse Oorlog. Kort na de val van Jeruzalem in september 70 stelde de opperbevelhebber Titus hem aan als legatus legionis van het legio X Fretensis. Hij bleef echter maar kort op deze positie. Nog hetzelfde jaar werd het bevel over het legioen overgenomen door Sextus Vettulenus Cerialis.

Titus (keizer)

Titus (Latijn: Titus Flavius Caesar Vespasianus Augustus; 30 december 39 – 13 september 81), was een Romeinse keizer van 79 tot 81. Hij was lid van de Flavische dynastie en volgde zijn vader Vespasianus op na zijn dood. Daarmee werd hij de eerste Romeinse keizer die de troon besteeg na zijn eigen vader.

Titus werd, dankzij de militaire successen van zijn vader, opgevoed aan het hof samen met Britannicus, de zoon van Claudius. Toen Britannicus vermoord werd door Nero zat Titus naast hem. Hij zou van het gif gedronken hebben, waarna hij een lange tijd ziek is geweest.

Voordat hij keizer werd, verwierf hij bekendheid als militair commandant van Legio XV Apollinaris, dienend onder zijn vader in Judea tijdens de Joodse Oorlog. De campagne kwam abrupt tot een einde met de dood van keizer Nero in 68, waarna Vespasianus de keizerlijke macht voor zichzelf opeiste tijdens het Vierkeizerjaar. Toen Vespasianus tot keizer werd uitgeroepen op 1 juli 69, werd Titus belast met de verantwoordelijkheid voor het beëindigen van de Joodse opstand. In 70 belegerde hij met succes Jeruzalem en vernietigde de stad en de Tempel van Jeruzalem. Voor deze prestatie werd hij beloond met een triomftocht; de Boog van Titus herdenkt zijn overwinning tot de dag van vandaag.

Onder de heerschappij van zijn vader, verwierf Titus bekendheid in Rome omdat hij diende als prefect van de Praetoriaanse Garde en omdat hij een controversiële relatie had met de Joodse koningin Berenice. Ondanks de bezorgdheid over zijn karakter, regeerde Titus met veel succes na de dood van Vespasianus in 79, en werd beschouwd als een goede keizer door Suetonius en andere eigentijdse historici. Als keizer is hij het best bekend om het voltooien van het Colosseum en om zijn vrijgevigheid in het verlichten van het lijden veroorzaakt door twee rampen, de uitbarsting van de Vesuvius van 79 en een brand in Rome in 80. Na amper twee jaar in functie, stierf Titus op 13 september 81. Hij werd vergoddelijkt door de Romeinse Senaat en opgevolgd door zijn jongere broer, Domitianus.

In andere talen

This page is based on a Wikipedia article written by authors (here).
Text is available under the CC BY-SA 3.0 license; additional terms may apply.
Images, videos and audio are available under their respective licenses.