Israëlieten

De Israëlieten (van het Griekse Ισραηλίτες, een vertaling van het Hebreeuwse: בני ישראל, b'nei yisra'el, "zonen van Israël" of "kinderen van Israël") vormden in de ijzertijd een confederatie van Semitisch-sprekende stammen in het Nabije Oosten, die gedurende de stammen- en koningsperiodes een deel van Kanaän bevolkten.[1][2][3][4][5] De oude Israëlieten worden beschouwd als nakomelingen van de oorspronkelijke Kanaänitische bevolking die lange tijd woonden in de zuidelijke Levant, Syrië, het oude Israël en de Transjordaanse regio.[6][7][8]

In de Hebreeuwse Bijbel worden traditioneel de nakomelingen van aartsvader Jakob (die volgens de Hebreeuwse Bijbel de naam Israël kreeg[9]) als Israëlieten, Hebreeën of Twaalf stammen van Israël aangeduid. In het vervolg van de verhalen wordt hij afwisselend als Jakob of Israël aangeduid. De term Israëlieten werd ook de naam voor de inwoners van het latere koninkrijk Israël. Niet te verwarren met de inwoners van het huidige Israël; deze heten Israëliërs, ongeacht etniciteit, afkomst of godsdienst.

Merenptah Israel Stele Cairo
De Stele van Merneptah. Hoewel er alternatieve vertalingen zijn, vertalen de meeste Bijbelwetenschappers een set hiërogliefen met "Israël", waarmee dit de oudste vermelding van de naam Israël is.

Oudste vermelding

De naam Israël verschijnt voor het eerst ca. 1209 v.Chr., aan het einde van de late bronstijd en het begin van wat archeologen en historici het begin van ijzertijd I noemen, in de (buiten-Bijbelse) inscriptie van de Oud-Egyptische farao Merenptah. De inscriptie betreft een volk, niet een persoon of natie-staat. Een vertaling van betreffende inscriptie luidt:

"Kanaän is met ieder kwaad geplunderd,
Asjkelon is afgevoerd,
Gezer is gegrepen,
Jenoam is gemaakt tot wat niet bestaat,
Israël is verwoest en zijn zaad niet,
Khor is weduwe geworden door Egypte.[10]"

Israëlieten in de Hebreeuwse Bijbel

Volgens de traditie in Genesis beloofde JHWH het land van Kanaän aan Abraham en zijn ontelbare nakomelingen.[11] Zijn kleinzoon Jakob en diens zonen werden door hongersnood gedwongen zich in het Oude Egypte te vestigen, in het land Gosen, waar zij uitgroeiden tot een talrijk volk. De farao dwong hen tot slavernij en beval dat pasgeboren jongetjes gedood moesten worden.

In deze periode trad Mozes op. Op Gods bevel leidde hij het volk uit Egypte. Bij de Sinaïberg beloofde het volk zichzelf alsook zijn nakomelingen aan de dienst van God te wijden en ontving Mozes van God de Tien geboden, en instructies voor de bouw van de Ark van het Verbond en de tabernakel. Hiermee werd de offerdienst van de tabernakel ingesteld. Na 40 jaar trok het volk het land Kanaän binnen onder leiding van Jozua: het Beloofde Land.

De twaalf stammen van Israël

12 stammen van Israël
De grondgebieden van de stammen

Uit de twaalf zonen van Jakob kwamen twaalf stammen voort. Het Beloofde Land werd zo opgedeeld dat iedere stam een eigen grondgebied kreeg. Jozef en Levi kregen geen land, maar in plaats daarvan werden twee zoons van Jozef (Efraïm en Manasse) als stammen gerekend, waarmee het aantal twaalf bleef.

De stammen:

  1. Ruben
  2. Simeon
  3. Juda
  4. Dan
  5. Naftali
  6. Gad
  7. Aser
  8. Issachar
  9. Benjamin
  10. Zebulon
  11. Efraïm
  12. Manasse

Rechters en de eerste koningen

In de eerste eeuwen in het Beloofde Land werden de Israëlieten bestuurd door rechters - de langste periode van vrede in de geschiedenis van de Israëlieten. Nadat het volk vroeg om een koning, volgde de periode van het Verenigd Koninkrijk Israël onder de koningen Saul, David en Salomo.

Koninkrijk Juda

Na de dood van koning Salomo werd het rijk opgedeeld. De stammen Juda, Simeon en Benjamin, samen met de Levieten die de tempeldienst verrichtten, vormden het Koninkrijk Juda, met als hoofdstad Jeruzalem. De inwoners ervan werden Judeeërs genoemd, en op grond van hun godsdienst 'joden'.

Koninkrijk Israël

De overige tien stammen vormden samen het noordelijke rijk, het koninkrijk Israël met als hoofdstad Samaria en bleven Israëlieten genoemd worden. In 722 v.Chr. werd het noordelijke rijk veroverd door de Assyriërs en de meeste inwoners werden weggevoerd naar het Assyrische rijk.

Waar de tien stammen zijn gebleven

Het lot van de tien stammen is een bron voor speculatie geweest. Waarschijnlijk vluchtten veel Israëlieten in 722 v.Chr. voor de Assyriërs naar Juda en assimileerden daar. Het lot van de tien stammen kan dus als volgt samengevat worden: een groot deel werd inderdaad weggevoerd en ging op in de bevolking van het Assyrische Rijk en een deel vermengde zich met de bewoners van het Koninkrijk Juda.

De geschiedschrijver Flavius Josephus schreef over de tien stammen het volgende in zijn werk Oude geschiedenis van de Joden: "... terwijl de tien stammen voorbij de Eufraat verblijven tot nu toe, en ze zijn een ontzettend grote menigte, waarvan het aantal niet geschat kan worden".[12]

Historiciteit

Hoewel sommige verhalen in de Hebreeuwse Bijbel mogelijk een weerklank zijn van historische gebeurtenissen, moet de geschiedenis over de Israëlieten worden gezien in het licht van de post-exilische redactie in de Priestercodex (6e / 5e eeuw v.Chr.). De verhalen zelf kunnen veel ouder zijn, maar zijn zelf vaak - al dan niet bewerkte - samenvoegingen van eerdere versies. De reconstructie hiervan heet de documentaire hypothese.

Het ontstaan van de verhalen over de Israëlieten

Onderzoek heeft aangetoond dat de overleveringen over figuren als Abraham, Isaak, Jakob, Jozef, Mozes, Jozua, Saul, David en Salomo pas in een veel latere tijd zijn ontstaan of opgeschreven dan die ze beschrijven. Archeologische vondsten in Mari en Nuzi werpen licht op de levenswijze, ethiek, rechtsgebruiken en religieuze voorstellingen uit de tijd die de Hebreeuwse Bijbel beschrijft, maar geven geen bewijs voor een tastbaar bestaan of niet-bestaan van bijvoorbeeld Abraham. De levenswijze die de Bijbel beschrijft, komt soms overeen met de beschrijvingen buiten de Bijbel van de zogenoemde randnomaden, niet nader omschreven groepen, die op zoek naar weidegronden soms in contact kwamen met bepaalde stadsbewoners of zichzelf permanent vestigden.[13] In zoverre geven buitenbijbelse bronnen een wereldbeeld dat zich in grote lijnen verhoudt tot het beeld dat de schrijver(s) van de vertellingen in de Hebreeuwse Bijbel voor ogen stond. Maar de weergave is op onderdelen niet correct. Als bijvoorbeeld wordt getracht de rijkdom van de aartsvaders te illustreren door het bezit van kamelen, is dit een projectie uit een latere tijd. De kameel werd namelijk pas tegen het einde van het tweede millennium v.Chr. getemd en werd in het oude Oosten pas ver na 1000 v.Chr. als lastdier in gebruik genomen.

Literair-historisch is de ontstaansgeschiedenis van de Bijbelse tekst over Abraham, Isaäk en Jakob omstreden. Definitieve uitspraken zijn daarom niet mogelijk. Ook al zijn ze niet tot in detail te reconstrueren, als er al mondelinge overleveringen over hen werden overgeleverd uit "oude" tijden, dat wil zeggen uit de tijd voor de Babylonische ballingschap (6e eeuw v.Chr.), dan zijn ze pas in de tijd van de identiteitscrisis die door deze ballingschap ontstond ontwikkeld tot een concept van Israëls afstamming van Abraham. Het gevaar van het voortbestaan van het eigen volk en het verlies van het eigen land, leidden tot de centrale plaats in de tekst voor beloftes over talrijke nakomelingen en de toekomstige zekerheid van een eigen land. In de tijd na de ballingschap (6e en 5e eeuw v.Chr.) staat de identiteit van de Joodse identiteit nog verder op de voorgrond. Deze leidde tot pogingen om de eigen genealogie zuiver te houden door het verbieden van huwelijken met buitenlanders – een thema dat in de verhalen over de aartsvaders veelvuldig wordt beklemtoond: Abrahams vrouw Sarai stamde ook van Terach af en was zijn halfzuster; Isaaks en Jakobs vrouwen waren nakomelingen van Abrahams broer Nahor. Aan de andere kant moest voor de Joodse diaspora een geloofssysteem ontwikkeld worden dat onafhankelijk was van cultische instituties als een tempel of offers. De als vreemdeling rondreizende, maar steeds door God gezegende Abraham werd het voorbeeld voor gehoorzame gelovigen: Jood zijn betekende de wil van God te doen. Genesis 22:1-19 werd de belangrijkste tekst: Abraham luisterde naar Gods Wet, nog voordat deze op de Sinaïberg werd onthuld en werd daarmee een voorbeeld van gehoorzaamheid aan de Thora. Het doel was niet de historische figuur Abraham tastbaar te maken, maar de rondom dit voorbeeldpersoon ontwikkelde concepten van geloof, gehoorzaamheid, belofte en hoop van generatie op generatie opnieuw te benadrukken.

De bewijzen van de verbinding van Abraham aan de andere patriarchen Isaak en Jakob / Israël buiten Genesis 12 - 50 zijn zeker uit de periode na de Babylonische ballingschap. Daarom is het ook waarschijnlijk dat de genealogische verknoping van Abraham, Isaak en Jakob in het boek Genesis in de tijd van de literaire wording van Genesis dan wel de Pentateuch kan worden gedateerd op de Perzische periode.

Er is geen twijfel over dat de voorstelling van de uittocht uit Egypte en de redding bij de Rode Zee de ervaringen weerspiegelen die ten tijde van het op schrift stellen van deze verhalen speelden, rond de Assyrische onderdrukking in de 7e eeuw v.Chr.[14] Als de Egyptische bronnen uit de late bronstijd en vroege ijzertijd worden vergeleken met vondsten in Palestina, wordt duidelijk dat er van een enorme uittocht en wonder bij de Rode Zee waarbij duizenden, zelfs honderdduizenden Israëlieten[15] waren betrokken, geen sprake kan zijn. Uit geen enkele bron is een overeenkomstige dood van een farao, laat staan zijn volledige leger, gebleken. Het valt ook niet te verwachten dat er archeologische, geologische of meteorologische bewijzen gevonden zullen worden die het wonder bij de Rode Zee in enige praktische vorm onweerlegbaar als historisch zullen aantonen.

Het archeologische bewijs levert vooral aanwijzingen op dat de oorsprong van Israël in Kanaän ligt en niet in Egypte. Er zijn tot nu toe, ondanks een eeuw zoeken, geen aanwijzingen voor de Egyptische slavernij en de ontsnapping naar de woestijn. De cultuur van de eerste Israëlieten is Kanaänitisch, hun religieuze voorwerpen zijn die van de god El, het aardewerk blijft helemaal in de Kanaänitische traditie, en het Paleo-Hebreeuwse alfabet is vrijwel identiek aan het Fenicisch alfabet.

Historische weerklank is niet uitgesloten: Mozes als voorbeeld

Toch moet beklemtoond worden dat historische weerklank niet kan worden uitgesloten en in sommige gevallen zelfs heel goed mogelijk is. Zo kan in het geval van Mozes een beperkte hoeveelheid informatie worden aangewezen die vrijwel zeker een historische grond hebben:[16]

  • Om te beginnen Mozes' Egyptische naam; dat dit later bedacht zou zijn, kan om kritische redenen worden uitgesloten: het is eenvoudig onbegrijpelijk dat de traditie de grondlegger van het ware Israël uitgerekend een Egyptische naam gaf. Bovendien duidt de schrijfwijze van de naam op een heel oude vorm, want de Hebreeuwse weergave van de Egyptische "š" als שׁ in plaats van ס ("s") weerspiegelt de fonetiek van het 2e millennium v.Chr.
  • Vervolgens zijn daar zijn familiebanden met Midjan; ook zijn huwelijk met de dochter van een buitenlandse priester was in strijd met latere godsdienstige zeden. Daarnaast bevonden de zware conflicten tussen de Midjanieten en de Midden-Israëlitische stammen zich in het collectieve geheugen van Israël.[17] Dus moet hier vanuit kritische overwegingen rekening worden gehouden met een historische weerklank. Het verband met de Midjanieten wijst geografisch op een gebied tussen de Dode Zee en de Golf van Akaba. Een verband met gebeurtenissen inzake een vlucht uit Egypte is daardoor op zijn minst niet uitgesloten, want bij een vlucht van Egypte naar Palestina zou het vermijden van de bewaakte kustwegen automatisch leiden over het grondgebied van de Midjanieten.
  • Ten slotte de relatie die werd gelegd tussen hem en de voorwerpen voor de cultus in Jeruzalem, zoals de koperen slang Nehushtan.[18] Het lijkt erop dat in de late koningstijd in Jeruzalem een tegenbeweging was tegen deze cultus rondom een slang waarvan het ontstaan op Mozes lijkt te kunnen worden teruggevoerd. Het ontstaan en verering van de Nehushtan zijn in flagrante tegenspraak met de "mozaïsche" Thora.[19] Een later ontstaan schijnt ook in dit geval uitgesloten, aangezien de Bijbelse traditie alleen vermeldt dat de vrome koning Hizkia deze (vanuit deuteronomistisch gezichtspunt) onwelvoeglijkheid tot een einde bracht.

Het verenigd koninkrijk Israël

Een groot Verenigd Koninkrijk Israël onder Saul, David en Salomo heeft nooit bestaan. Er zijn vier argumenten die tegen het bestaan pleiten: ten eerste ligt de schatting van het aantal inwoners dat Israël ca. 1000 v.Chr. kende rond 55.000 voor het gezamenlijke berggebied van Samaria en Juda. Als dit aantal als basis wordt genomen om vast te stellen hoeveel soldaten voor een leger zouden kunnen worden gerekruteerd, kunnen dat er (bij een aandeel van 2,5% strijders) ongeveer 1.500 zijn geweest, waarmee het onmogelijk is een dergelijk oppervlak te veroveren en controleren. Ten tweede de grootte van de hoofdstad Jeruzalem, die rond 1000 v.Chr. een oppervlak bestreek van ongeveer 4 ha op de zuidoostheuvel (Davids stad). Dat is niet toereikend voor een administratief apparaat om een dergelijk rijk te controleren en beheersen. Ten derde is er de zogenoemde "low chronology" waarbij de urbanisatie respectievelijk ijzertijd IIA in Israël 75 tot 100 jaar later begon.[20] Verder zijn nergens archeologische sporen gevonden uit de periode van David van zijn veroveringsoorlogen of aanwijzingen van een passende infrastructuur. Ten vierde het literaire beeld van de Bijbelse oorlogskroniek in 2 Samuel 8:2-14, die de veroveringen formuleert op de wijze van de herdenkingsinscripties van het Nieuw-Assyrische Rijk. Het beschrijft een ideologische koning en projecteert de grote uitbreiding van het rijk onder Jerobeam II in de vroege 8e eeuw v.Chr. naar de tijd van David.[21]

Vanaf toen werd het monotheïsme gecultiveerd vanuit Jeruzalem, en kwam dit monotheïsme tot een culminatie onder koning Josia, die (vergeefs) het zwaard opnam tegen de grootmacht Egypte, toen die staat in 609 v.Chr. tegen Babylon optrok, waarna Juda in 586 v.Chr. werd ingelijfd in het Babylonische rijk.

Afstammelingen

Behalve Joden, die ervan uitgaan af te stammen van de vroegere Israëlieten zijn er ook andere groeperingen die verkondigen, of waarvan beweerd wordt, dat zij nakomelingen van de Israëlieten zijn:

  • De huidige Samaritanen, die volgens hun zeggen de laatste oorspronkelijke Israëlieten zijn.
  • De Joden uit het Indiase Kuchin, die in het huidige Israël wonen, claimen afkomstig te zijn van de tien verloren stammen. Er is een museum door en over deze groep Joden in de Israëlische mosjav Nevatim.
  • De joden uit Ethiopië. Zij zeggen afkomstig te zijn van de verloren stammen. Door hun buren werden ze vaak uitgemaakt voor "Falasha" (Amhaars voor indringers). De overgrote meerderheid van hen is inmiddels woonachtig in de staat Israël.
  • De sekte van Ben Ammi Carter, Het Originele Afrikaanse Hebreeuwse Israëlitische Volk van Jeruzalem, maakt ook een dergelijke claim.
  • De 'Brits Israël'-beweging claimt dat na de wegvoering van de 10 stammen van het koninkrijk Israël deze via Assyrië, Anatolië, de Kaukasus en Oekraïne ten slotte terechtkwamen in Europa en de oorsprong vormden van de Kelten en Germanen. Ook zou bij de val van Jeruzalem de laatste afstammeling van het koningshuis van David naar Ierland zijn gevlucht en het daar tot op de huidige dag hebben voortgezet onder de naam van verschillende koninklijke dynastieën van Ierland, Engeland en Schotland. Hiermee zou volgens hen de Bijbelse belofte zijn vervuld dat 'Israël (Jacob) zal talrijk worden als het zand van de zee' en 'de scepter (het koningschap) zal nooit wijken van Juda'. De beweging had haar grootste populariteit rond 1900 (zelfs grootheden als koningin Victoria zouden sympathie voor deze theorie gehad hebben) maar is nog altijd actief in de VS en het Verenigd Koninkrijk.
Bronnen, noten en/of referenties
  1. Israel Finkelstein (1996): Ethnicity and origin of the Iron I settlers in the Highlands of Canaan: Can the real Israel stand up? The Biblical archaeologist 59.4 (1996): 198–212.
  2. Israel Finkelstein (1988): The archaeology of the Israelite settlement, Jerusalem: Israel Exploration Society
  3. Israel Finkelstein en Nadav Naʼaman (red.) (1994): From nomadism to monarchy: archaeological and historical aspects of early Israel, Yad Izhak Ben-Zvi
  4. Israel Finkelstein (1996): The archaeology of the United Monarchy: an alternative view, Levant 28.1 (1996): 177–87.
  5. Israel Finkelstein en Neil Asher Silberman (2002): The Bible Unearthed: Archaeology's New Vision of Ancient Israel and the Origin of Sacred Texts, Simon and Schuster
  6. Jonathan N. Tubb (1998): Canaanites, University of Oklahoma Press
  7. Paula McNutt (1999): Reconstructing the Society of Ancient Israel, Westminster John Knox Press
  8. K. L. Noll (2001): Canaan and Israel in Antiquity: An Introduction, A&C Black, pag. 164
  9. Genesis 25:26
  10. K. van der Toorn (1996): Family Religion in Babylonia, Ugarit and Israel: Continuity and Changes in the Forms of Religious Life, Brill, pp. 181, 282
  11. Genesis 11:32 - 12:3
  12. Flavius Josephus : De Oude Geschiedenis van de Joden 11.5.2
  13. U. Worschech (1983): Abraham. Eine sozialgeschichtliche Studie (EHS 23, Theologie 255), Frankfurt/München
  14. J.C. Gertz (2000): Tradition und Redaktion in der Exoduserzählung. Untersuchungen zur Endredaktion des Pentateuch (FRLANT 181), Göttingen
  15. Vergelijk Exodus 12:37
  16. R. Smend (1995): Mose als geschichtliche Gestalt, HZ 260, pag. 1-19
  17. Rechters 6-8
  18. 2 Koningen 18:4; vergelijk Numeri 21:4b-9
  19. Exodus 20:4f
  20. J. Gertz (2004): Konstruierte Erinnerung. Alttestamentliche Historiographie im Spiegel von Archäologie und literarhistorischer Kritik am Fallbeispiel des salomonischen Königtums, BThZ 21, pag. 3-29
  21. A.A. Fischer (2005): Die literarische Entstehung des Großreichs Davids und ihr geschichtlicher Hintergrund. Zur Darstellung der Kriegschronik in 2Sam 8,1-14 (15), in: U. Becker / J. van Oorschot (Uitg.), Das Alte Testament – ein Geschichtsbuch?! (ABG 17), Leipzig, pag. 101-128
  1. Israel Finkelstein (1996): Ethnicity and origin of the Iron I settlers in the Highlands of Canaan: Can the real Israel stand up? The Biblical archaeologist 59.4 (1996): 198–212.
  2. Israel Finkelstein (1988): The archaeology of the Israelite settlement, Jerusalem: Israel Exploration Society
  3. Israel Finkelstein en Nadav Naʼaman (red.) (1994): From nomadism to monarchy: archaeological and historical aspects of early Israel, Yad Izhak Ben-Zvi
  4. Israel Finkelstein (1996): The archaeology of the United Monarchy: an alternative view, Levant 28.1 (1996): 177–87.
  5. Israel Finkelstein en Neil Asher Silberman (2002): The Bible Unearthed: Archaeology's New Vision of Ancient Israel and the Origin of Sacred Texts, Simon and Schuster
  6. Jonathan N. Tubb (1998): Canaanites, University of Oklahoma Press
  7. Paula McNutt (1999): Reconstructing the Society of Ancient Israel, Westminster John Knox Press
  8. K. L. Noll (2001): Canaan and Israel in Antiquity: An Introduction, A&C Black, pag. 164
  9. Genesis 25:26
  10. K. van der Toorn (1996): Family Religion in Babylonia, Ugarit and Israel: Continuity and Changes in the Forms of Religious Life, Brill, pp. 181, 282
  11. Genesis 11:32 - 12:3
  12. Flavius Josephus : De Oude Geschiedenis van de Joden 11.5.2
  13. U. Worschech (1983): Abraham. Eine sozialgeschichtliche Studie (EHS 23, Theologie 255), Frankfurt/München
  14. J.C. Gertz (2000): Tradition und Redaktion in der Exoduserzählung. Untersuchungen zur Endredaktion des Pentateuch (FRLANT 181), Göttingen
  15. Vergelijk Exodus 12:37
  16. R. Smend (1995): Mose als geschichtliche Gestalt, HZ 260, pag. 1-19
  17. Rechters 6-8
  18. 2 Koningen 18:4; vergelijk Numeri 21:4b-9
  19. Exodus 20:4f
  20. J. Gertz (2004): Konstruierte Erinnerung. Alttestamentliche Historiographie im Spiegel von Archäologie und literarhistorischer Kritik am Fallbeispiel des salomonischen Königtums, BThZ 21, pag. 3-29
  21. A.A. Fischer (2005): Die literarische Entstehung des Großreichs Davids und ihr geschichtlicher Hintergrund. Zur Darstellung der Kriegschronik in 2Sam 8,1-14 (15), in: U. Becker / J. van Oorschot (Uitg.), Das Alte Testament – ein Geschichtsbuch?! (ABG 17), Leipzig, pag. 101-128
Stammen van IsraëlDavidster
Zoons van Jakob:  Ruben · Simeon  · Levi · Juda  · Dan  · Naftali  · Gad  · Aser  · Issachar  · Zebulon  · Jozef  · Benjamin
Stammen van Israël:  Ruben  · Levi  · Dan  · Naftali  · Gad  · Aser  · Issachar  · Zebulon  · Jozef (Manasse · Efraïm)
Stammen van Juda: Simeon Juda · Benjamin
12e eeuw v.Chr.

De 12e eeuw v.Chr. (van de christelijke jaartelling) is de 12e periode van 100 jaar, dus bestaande uit de jaren 1200 tot en met 1101 v.Chr. De 12e eeuw v.Chr. behoort tot het 2e millennium v.Chr.

Opmerking: Omdat in deze tijd de dateringen meestal niet veel nauwkeuriger zijn dan plusminus enkele jaren, worden in deze tijd de gebeurtenissen per decennium weergegeven.

1200-900 v.Chr. is het Vroeg IJzertijdperk in Kanaän waarvan het grootste deel door Israëlieten wordt ingenomen.

1 en 2 Samuel

De boeken 1 en 2 Samuel (Hebreeuws: שמואל) zijn onderdelen van de Hebreeuwse Bijbel. De boeken vormen het derde en vierde boek van de Profeten (Hebreeuws: Newie'iem) in de Tenach en volgen op Rechters. In het christelijke Oude Testament vormen ze het negende en tiende boek en volgen ze op Ruth, dat tussen Rechters en 1 en 2 Samuel in is komen te staan. Samen met 1 en 2 Koningen vertellen de boeken Samuel over de opkomst en ondergang van het koningschap in Israël.

Aäron

Aäron (Hebreeuws אַהֲרֹן, ’ahǎron, herkomst en betekenis onduidelijk, mogelijk van het Egyptische rn "groot is de naam (van God)" of via een andere wortel "tentman") was volgens de traditie in de Hebreeuwse Bijbel de broer van Mozes en de eerste hogepriester van de Israëlieten en daarmee aartsvader van alle priesters. In de Rooms-Katholieke Kerk wordt zijn naamdag gevierd op 1 juli.

In de Koran wordt Aäron Harun genoemd.

Exodus (boek)

Het boek Exodus (Grieks: Εξοδος, uittocht; Hebreeuws: שמות, Sjemot, "namen", naar het eerste woord van de Hebreeuwse tekst) is het tweede boek van de Hebreeuwse Bijbel.

Het boek begint met de zin: "Dit zijn de namen van de zonen van Israël ...".

Het vertelt het verhaal van het vertrek van het Israëlitische volk uit Egypte naar het Beloofde Land Kanaän. Hun leider Mozes ontvangt daarbij van God de Thora oftewel de wet.

Hebreeuwse Bijbel

Hebreeuwse Bijbel is in wetenschappelijke publicaties vaak de benaming van wat Joden de Tenach noemen en christenen het Oude Testament. De term wordt gebruikt door academische Bijbelgeleerden omdat het een neutrale term is.

Niet iedereen is het ermee eens dat het een neutrale term is. Het woord Bijbel kan christocentristisch overkomen op Joden, terwijl ‘Hebreeuws’ zowel kan verwijzen naar de Hebreeuwse taal als naar het volk van de Hebreeën (een synoniem voor Israëlieten) - en de Hebreeuwse Bijbel dus niet bestemd zou zijn voor christenen, terwijl sommige stromingen de Hebreeuwse Bijbel / het Oude Testament nog als onverminderd geldig beschouwen. Andere christenen gebruiken juist daarom wel de term Hebreeuwse Bijbel (of Hebreeuwse geschriften of vergelijkbare termen), omdat de term Oude Testament kan suggereren dat dit deel van de christelijke Bijbel verouderd zou zijn, omdat er ook het Nieuwe Testament is.

Jetro

Jetro of Jethro of Jeter of Jether (Hebreeuws: יִתְרוֹ, Jitro, aanspreektitel vergelijkbaar met het woord "sire") was volgens de traditie in de Hebreeuwse Bijbel een Midjanitische priester en schoonvader van Mozes. Hoewel de Hebreeuwse Bijbel meestal zijn aanspreektitel hanteerde, was zijn ware naam Reüel, "godsvriend". In de Koran wordt Jetro als profeet beschouwd en Shu'aib genoemd. Ook de druzen beschouwen Jetro als een groot profeet.

Na Mozes' vlucht uit Egypte vond hij toevlucht bij Jetro, trouwde met één van Jetro's zeven dochters, Sippora, en bleef in totaal 40 jaar bij Jetro. Mozes was de kudde van Jetro aan het hoeden, toen hij JHWH ontmoette in een brandende doornstruik.Nadat Mozes enige jaren later de Israëlieten uit Egypte bevrijdde, bezocht Jetro hem in de woestijn, waar deze aan de Hebreeuwse God JHWH offerde en een feestmaal aanrichtte voor Aäron en de oudsten van Israël. Hierna gaf Jetro Mozes raad over hoe de volk onderwezen moest worden in de wet en het bestuur van de Israëlieten. Om deze reden is de Parasja Jitro, יתרו, die Exodus 18:1-20:23 omvat, naar Jetro genoemd.

Jozua (boek)

Jozua (Hebreeuws: יהושע) is het zesde boek van zowel de joodse Bijbel als de christelijke Bijbel.

Hoofdpersoon van het boek is Jozua en naar hem is het boek ook genoemd. Jozua is de leider van de Israëlieten en de opvolger van Mozes. Onder zijn leiding trekt het Israëlitische volk het land Kanaän binnen om dat te veroveren.

Jozua (persoon)

Jozua of Jehosjoe'a (Hebreeuws: יְהוֹשֻׁעַ jəhôšua‛ en יֵשׁוּעַ ješûa‘, "JHWH (is) redder / redding / hulp") was volgens de traditie van de Hebreeuwse Bijbel de opvolger van Mozes als leider van de Israëlieten. Hij heette oorspronkelijk Hosea, maar Mozes hernoemde hem tot Jozua. Het Bijbelboek Jozua is naar hem genoemd.

Jozua was de zoon van Nun, uit de stam van Efraïm, en was de dienaar en assistent van Mozes. Hij voerde het leger aan in de slag tegen de Amalekieten en was een van de twaalf verkenners die door Mozes naar Kanaän werden gestuurd.Na de dood van Mozes werd Jozua de leider van Israël en had hij een centrale rol bij de verovering en verdeling van het land. Zoals Mozes met zijn toekenning van instructies de leefomstandigheden van de Israëlieten had bepaald, zo verschafte Jozua met de inname en verdeling van het land de basis voor het verdere leven van het volk.

De verovering van Kanaän begon bij Jericho. Jozua betoonde zich een wrede en meedogenloze legerleider. Onder zijn leiding werden alle inwoners van verschillende steden, mannen, vrouwen en kinderen, en al hun vee omgebracht, wat overigens in strijd was met eerdere instructies van Mozes, namelijk dat jonge maagden in leven moesten worden gehouden. Bij de verovering en verwoesting van Ai werd de koning van Ai levend bij Jozua gebracht; Jozua hing hem vervolgens aan een boom op en liet hem hangen tot aan de avond, wat Jozua waarschijnlijk al eerder had gedaan met de koning van Jericho.

Levieten

Levieten of de stam van Levi was een van de twaalf stammen van Israël.

De Levieten waren van de geslachtslijn van Levi, de derde zoon van Jakob. De Levieten werden ook de "stand der hogepriesters" genoemd omdat ze in de tijd van Mozes in de woestijn door JHWH gekozen zouden zijn, om in Gods tabernakel ("Tent der Getuigenis") en later in de tempel te werken. De stam van Levi voltrok bijzondere religieuze diensten voor de Israëlieten en droeg politieke, militaire en economische verantwoordelijkheden. Bij de verovering van Kanaän kreeg hun stam geen afgebakend gebied toegewezen. Maar zij verwierven daarentegen wel het recht om tienden te heffen. Toen het volk van Israël het gouden kalf ging aanbidden in de woestijn, was de stam van Levi de enige stam die niet meedeed. Onder de Levieten waren ook muzikanten. Tijdens het offerritueel zong een koor van ten minste twaalf Levieten een psalm (voor elke dag van de week een andere), begeleid door strijkinstrumenten.

Moabieten

De Moabieten waren een Semitisch volk dat tussen de 13e eeuw v.Chr. en de 6e eeuw v.Chr. leefde in het gebied ten oosten van de Dode Zee in wat nu Jordanië is. Het land dat de Moabieten bewoonden werd Moab genoemd. Moab werd in het noorden begrensd door het koninkrijk van de Ammonieten, Ammon. Ten zuiden van Moab lag Edom. In het westen vormde de Dode Zee de scheidslijn tussen de Moabieten en de Israëlieten. De Moabitische taal behoorde tot de Kanaänitische taalgroep en vertoont zeer sterke overeenkomsten met andere Kanaänitische talen als het Ammonitisch, het Edomitisch en het Klassiek Hebreeuws, de taal van de Israëlieten. Hoewel de beide volkeren aan elkaar verwant waren, maakt de Bijbel melding van strijd tussen Moab en Israël. De Stele van Mesa, in de 9e eeuw v.Chr. opgericht door de Moabitische koning Mesa, verhaalt over de succesvolle opstand van Mesa tegen een opvolger van de Israëlitische koning Omri, mogelijk Achab of diens zoon Joram.

Een soortgelijke versie van de gebeurtenissen is terug te vinden in de Bijbel: 2 Koningen 3.

Mozes

Mozes (Hebreeuws: מֹשֶׁה Mosje, Oudgrieks: Μωυσῆς Mōysēs of Μωσῆς Mōsēs, Latijn: Moyses of Moses, Arabisch: موسى Moesa) was volgens de Tenach de grootste profeet. De Hebreeuwse Bijbel beschrijft hem als de leider van de Israëlieten bij de uittocht uit Egypte en tijdens de doortocht door de woestijn tot aan de grenzen van Kanaän. Traditioneel worden aan Mozes ook de eerste vijf Bijbelboeken toegeschreven (de Thora), waardoor de gehele wetgeving van Israël door zijn autoriteit werd geschraagd. Ook Psalm 90 wordt aan Mozes toegeschreven.

Volgens de Koran is Mozes een boodschapper en profeet.

Numeri

Numeri (Latijn: "getallen", naar de Griekse benaming in de Septuagint: Ἀριθμοί, arithmoi, "tellingen") is het vierde boek van de Hebreeuwse Bijbel. In het Hebreeuws wordt het במדבר, bəmidbar, "in de wildernis" genoemd, naar wat in de Hebreeuwse versie het eerste woord van het boek is. Het behandelt de gebeurtenissen van de Israëlieten gedurende hun verblijf van 40 jaar in de woestijn.

Otniël

Otniël (Hebreeuws: עָתְנִיאֵל, ʻOṯnîʼēl, betekenis onzeker, maar mogelijk "God/El is mijn kracht" of "God/El heeft me geholpen") was volgens de traditie in de Hebreeuwse Bijbel de eerste rechter van de Israëlieten en richtte Israël 40 jaar. Hij was de zoon van Kenaz, een broer van Kaleb, en was gehuwd met Kalebs dochter Aksa. Hij kreeg 2 kinderen: Chatat en Meonai.

Otniël veroverde Kirjat-Sefer, en redde later de Israëlieten van Kusan-Risataïm of Cuschan Rischataïm. Het richterschap van Otniël begint niet lang na Jozua's dood.

Pinechas

Pinechas (Hebreeuws: פִּינְחָס) was volgens de traditie in de Hebreeuwse Bijbel een naam van drie Levieten.

Plagen van Egypte

De Plagen van Egypte of de Tien plagen (Hebreeuws: עשר המכות, Eser Ha-Makot) zijn, volgens Exodus in de Hebreeuwse Bijbel, tien rampen die JHWH in het Oude Egypte zou hebben veroorzaakt, omdat de farao de Israëlieten niet toestond Egypte te verlaten. In chronologische volgorde waren dit:

Sommige uitleggingen stellen dat het ware doel van de plagen was de Israëlieten te doen geloven in de almacht van God. Dit wordt gebaseerd op het feit dat herhaaldelijk te lezen is dat JHWH de farao het vertrek van de Israëlieten liet weigeren, zodat JHWH de farao met een volgende plaag kon treffen. Zo zou JHWH hebben getracht (via de farao) Zijn macht te demonstreren aan de Israëlieten. In die zin zou de farao een middel van God zijn geweest en niet zozeer de bestrafte. Dat laatste moest hij slechts zijn in ogen van de Israëlieten.

Profeten van de islam

De term profeet (nabi) wordt in de islam gebruikt om diegenen aan te duiden die door God uitverkoren zijn Zijn wil te verkondigen. Daarnaast zijn er ook profeten die boodschapper (rasoel) zijn.

De islamitische interpretatie van de Koran stelt dat Mohammed als "boodschapper Gods en zegel der profeten" (soera De Partijscharen 40) de culminatie is van een serie voorgaande profeten. Velen van hen, maar niet allen, maken in de Koran, maar ook in Hadith, hun opwachting.

In de Koran worden in soera's De Koe 136, Het Geslacht van Imraan 84, De Vrouwen 136 en De Consultatie 13 het geloof in genoemde profeten vastgelegd, zonder daarbij overigens onderscheid tussen hen te maken. Dat onderscheid bestaat overigens wel: de islam kent naast het begrip 'profeet' ook profeten die boodschapper zijn. Boodschappers onderscheiden zich van andere profeten door de Boeken en/of nieuwe of gecorrigeerde wetten die zij brachten, terwijl de taak van een profeet het verkondigen en uitleggen van de leer van de voorgaande boodschapper inhoudt.

Mohammed ibn Saʿd stelt dat er 315 boodschappers geweest zijn en 1000 profeten, andere bronnen spreken van 124.000 profeten. Vertellingen over verschillende profeten maken een aanzienlijk deel van de Koran uit en velen van hen worden met naam en toenaam besproken. Er zijn daarnaast ook enkele profeten die vooreerst in de Hadith en in de tafsir geduid worden. De Koran maakt duidelijk dat God tot elk volk een profeet heeft gezonden.

De algemene opvatting binnen de islam is dat de boodschappers Nuh, Ibrahim, Musa, Isa en Mohammed een hogere profetische graad hebben dan de overige profeten. Deze vijf boodschappers worden dan ook Oeloel-Azm-profeten genoemd.

Soera De Partijscharen 7 zegt: En toen Wij met de profeten een verbond sloten: met u, met Noach, Abraham, Mozes, en Jezus de zoon van Maria, sloten Wij een hecht verbond.

De kenmerken van een profeet zijn onder andere eerlijkheid, betrouwbaarheid, hoge mate van intelligentie, vrij van zonde en het volledig verkondigen van de ontvangen boodschap.

Rechters

Rechters, ook wel Richteren genoemd (Hebreeuws: שופטים, sjoftiem), is het zevende boek van zowel de joodse Bijbel als de christelijke Bijbel. Het boek vertelt over een aantal Israëlitische rechters die in Israël optraden na de aankomst van de Israëlieten in Kanaän. Deze rechters traden op als leiders en militaire bevelvoerders.

In de Hebreeuwse Bijbel valt het boek onder de Profeten (Newi'iem). In de christelijke Bijbel maakt het boek deel uit van het Oude Testament en wordt het tot de historische boeken gerekend.

Samuel (profeet)

Samuel (Hebreeuws: שְׁמוּאֵל, Šəmū’el, betekenis onbekend, mogelijk afgeleid van שם האלוהים Shem Alohim, "naam van God" of שמע אלוהים Sh'ma Alohim, "God werd gehoord") was volgens de traditie in de Hebreeuwse Bijbel een profeet die sterk betrokken was bij de vorming van het koninkrijk Israël, in de periode rond 1000 v.Chr. Alleen aan Mozes werden meer functies toegeschreven dan aan Samuel. Zo was hij naast profeet ook richter van de Israëlieten en priester.

Uittocht uit Egypte

De uittocht uit Egypte (Hebreeuws: יציאת מצרים, Jetsi'at Mitzrajiem) of exodus (Grieks: ἔξοδος; exodos, "weg uit") is het verhaal uit de Hebreeuwse Bijbel over het vertrek van de Israëlieten uit het oude Egypte. In de strikte betekenis van het woord heeft de term alleen betrekking op het vertrek uit Egypte zoals beschreven in Exodus; in bredere zin heeft de term ook betrekking op het ronddolen in de woestijn tussen Egypte en Kanaän, de periode waarin Mozes Gods wetten gaf, zoals beschreven in Leviticus, Numeri en Deuteronomium.

Tegenwoordig neemt men veelal aan dat het uitgebreide verhaal gevormd is tijdens of na de Babylonische ballingschap (6e, 5e eeuw v.Chr.), maar dat de kern van het verhaal ouder is; er zijn al sporen van in de 8e en 7e eeuw v.Chr., in de tekst van de Deuteronomist (de boeken van Deuteronomium tot en met 2 Koningen). Sommige geleerden nemen echter aan dat de bronnen nog ouder zijn en dat er daadwerkelijk herinneringen bewaard zijn gebleven aan het ineenstorten van de beschaving van de bronstijd in de 13e eeuw voor Christus.

In andere talen

This page is based on a Wikipedia article written by authors (here).
Text is available under the CC BY-SA 3.0 license; additional terms may apply.
Images, videos and audio are available under their respective licenses.