Feodalisme

Het feodalisme of de feodaliteit (van het Latijnse feudum of "leen") is in politieke zin het leenstelsel dat in Europa bestond van de val van het West-Romeinse Rijk (circa 500) tot in de nieuwe tijd (circa 1500). Grond werd in dit stelsel door leenheren toebedeeld aan hun leenmannen, in ruil voor een verplichting van persoonlijke trouw, militaire bijstand en belastinginkomsten. De term ontstond als féodalité onder de Franse Verlichtingsdenkers (Montesquieu, Voltaire) en had oorspronkelijk een negatieve bijklank van onderdanigheid en droit divin.

In navolging van Karl Marx wordt feodalisme ook gebruikt als aanduiding voor de economische organisatie van het middeleeuwse Europa; het is dan de fase in de economische geschiedenis die voorafging aan het kapitalisme, gekenmerkt door het stelsel van horigheid, lage productiviteit en een verdeling van overschotten tussen heer en horige langs vooropgezette lijnen (in plaats van via het marktmechanisme).

Er wordt wel een conceptueel onderscheid gemaakt tussen feodaliteit als politiek-juridisch stelsel en feodalisme als productiewijze, maar de noties zijn nauw met elkaar verbonden.[1]

Inleiding

Aanvankelijk werden de lenen door de koning aan aanzienlijken - vooral uit het leger - voor een bepaalde tijd in bruikleen afgestaan. De leenman beloofde aan de koning onder ede (foedus) het gebied in zijn naam te regeren en hem bij te staan in geval van oorlog. De band tussen leenman en leenheer was tweezijdig: ze verzekerden zich van wederzijdse steun, trouw en zelfs zelfopoffering. Dat deze ideale, romantische ridderlijkheid volstrekt niet met de realiteit overeenkwam, deed er weinig toe.

Er bestond een uitgebreid gewoonterecht dat de rechten en plichten van de leenheer (de vorst) en de leenman (de persoon die een gebied in beheer ontving) regelde. In West-Francië (grofweg het huidige Frankrijk) gingen in de loop van de negende eeuw veel edelen zich echter steeds onafhankelijker opstellen, zodat hun lenen feitelijk onafhankelijk werden en in de familie bleven. Door vererving (huwelijken met erfdochters) en oorlog werden lenen verenigd en hun heren machtiger. Het fenomeen breidde zich zodanig uit dat de koning hiertegen uiteindelijk niet meer kon optreden. Het door keizer Karel de Kale in 877 uitgevaardigde Capitulare van Quierzy gaf de erfelijkheid uiteindelijk een wettelijke basis.

In Oost-Francië (grofweg het huidige Duitsland) wisten de Ottonen de vererving van lenen tegen te houden, door bisschoppen te belenen. Ze verkregen dus wereldlijke macht of investituur. Pas in 1037 bevestigde keizer Koenraad II voor Italië het recht van erfelijkheid in de Constitutio de feudis. De beschuldiging van simonie, vooral door paus Gregorius VII, leidde tot de Investituurstrijd. Ze werd beëindigd door het Concordaat van Worms van 1122, een duidelijke aantasting van het gezag van de Duitse keizer. Hiervan maakten zijn leenmannen, de nominaal onderhorige graven en hertogen, dan ook misbruik door zich steeds onafhankelijker op te stellen. Ten slotte was het gezag van de keizer in de praktijk beperkt tot zijn persoonlijke eigendommen: zijn Hausmacht.

De keten van lenen kon drie of meer trappen beslaan waarbij een leen in steeds kleinere lenen onderverdeeld geraakte.

Oorsprong

De feodaliteit was gegroeid uit de standenmaatschappij van het late Karolingische rijk. De Frankische koningen baseerden oorspronkelijk hun macht vooral op de jaarlijkse veldtochten. De strijders werden beloond met een deel van de gebiedsaanwinsten. Toen onder Karel de Grote alle begeerde gebieden ingelijfd waren, moest de koning een andere manier vinden om zijn edelmannen aan zich te binden. Bovendien was het rijk veel te groot geworden om het efficiënt te besturen. Wegens de primitieve communicatiemiddelen reisde hij noodgedwongen rond om zijn gezag af te kunnen dwingen en zijn belastingen ter plaatse "te consumeren", want veelal werden ze in natura voldaan. Hij had daarom plaatselijke vertegenwoordigers nodig: ambtenaren. Uit deze klasse ontstond de adelstand.

De centrale macht was allesbehalve groot. Grote delen van West-Europa waren van de vijfde tot de elfde eeuw vermoedelijk niet onderworpen aan enig staatsgezag, waardoor ze vreemd waren aan geweldsmonopolie en belastingen. Veel kleine boeren waren baas over eigen erf en dorpsgemeenschappen vaak zelfvoorzienend en zelfbesturend. Edelen hadden wel (feodale) verplichtingen tegenover de vorst of andere edelen, maar deze verplichtingen vloeiden eerder voort uit eigendom dan uit onderdanigheid.

De koningen na Karel de Grote verloren steeds meer aan macht en aanzien, vooral vanwege hun ontoereikende reactie op buitenlandse bedreigingen zoals de Vikingen. In de tijd van Hugo Capet was dit proces zo gevorderd dat sommige leenmannen rijker en machtiger waren geworden dan hun leenheer. De Franse koning beheerste toen slechts het leen rond Parijs, het Île de France. In de eeuwen daarna trachtten de koningen geleidelijk aan hun verloren macht te herwinnen. Een van de methoden die ze daartoe gebruikten was het Ottoonse stelsel: bisschoppen belenen met land. Zo werden de kerkvorsten een onderdeel van het politieke stelsel, met het voordeel dat het Frankische erfrecht vanwege het celibaat niet toepasbaar was.

De feodale maatschappij

Cleric-Knight-Workman
De drie standen

De feodaliteit was niet alleen een bestuurlijk systeem, het had ook een economische betekenis. De leenman kreeg een gebied in leen, maar een deel van de opbrengsten van het leen kwam de leenheer toe. Het ging dan vooral om opbrengsten in natura (de oogst), want in grote delen van West-Europa was geld schaars geworden. Een leenman kon daardoor zijn leengoed veelal alleen nog nuttig maken door de directe opbrengst van zijn leengoed. Dat leidde tot de ontwikkeling van het hofstelsel, met name in die gebieden waar geld nauwelijks nog een rol speelde.

Bij het hofstelsel verdeelde de leenman zijn leengoed in hoeves (saalgoederen) die voor hem uitgebaat werden. Ondergeschikten die een saalgoed in leen ontvingen, moesten dan een deel van hun opbrengst aan hun landsheer afstaan, en ook van hun eigen landgoederen als ze er hadden. Om zeker te zijn van voldoende opbrengst was de leenman afhankelijk van de inzet van zijn ondergeschikten. Hij streefde er daarom naar om zijn "boeren" te binden aan zijn "hof".

Horigheid

Boeren die zich onmogelijk los konden maken van deze leenband waren horigen. Zij maakten uiteindelijk in grote delen van Europa de meerderheid uit van de bevolking, zo ook in de kern van het oorspronkelijke Frankische rijk. Toch is het nooit uitgegroeid tot de algemene vorm van grondbewerking. In uitgestrekte gebieden in West-Europa was horigheid zeldzaam en bestond een meerderheid uit van oudsher vrije boeren. Dit was met name het geval in gebieden waar geld niet geheel was verdwenen, bijvoorbeeld Friesland, waar het inkomen uit de veeteelt werd aangevuld met het verhandelen van het surplus.

Horigheid was overigens niet enkel een verplichting van de horige boer jegens de leenman. Ook de heer had verplichtingen jegens "zijn" horigen. Met name het verzekeren van rechtszekerheid en veiligheid en ook een zekere sociale zekerheid behoorden tot deze taken. De relatie horige-heer kon niet eenzijdig worden opgezegd en ging in beginsel over op een volgende generatie.

In sommige landen van Europa, bijvoorbeeld Polen, ging het systeem zo ver dat er uiteindelijk een wet werd aangenomen dat iemand ofwel een heer over horigen was ofwel een horige onder een heer. Het werd daarmee onmogelijk om vrije boer te zijn.

Lijfeigenschap

Terwijl de horige in theorie het land dat hij bewerkte bezat, waren er ook niet-vrije boeren die géén eigendom hadden: de lijfeigene. Ook pure slavernij kwam sporadisch nog voor.

Ridders

Sommige niet-vrijen in dienst van hoge edelen of de koning slaagden erin na generaties op te klimmen tot een nieuwe adelstand, de ministerialen of de ridders. In tegenstelling tot de oude adel stamt dit ridderschap dus niet af van vrije boeren met eigen land, maar van niet-vrijen.

Afbraak van de feodaliteit

Na het jaar 1000 fragmenteerde de macht steeds meer. Voordien hadden de vorsten (bijvoorbeeld hertogen en graven) de macht van de koning geüsurpeerd, nu herhaalde dit proces zich op een lager niveau. Door de creatie van banheerlijkheden of seigneuries banales verloren vorsten hun macht ten dele aan lokale kasteelheren, burggraven (châtelains) en banheren. Deze banale revolutie voltrok zich niet overal; vorstendommen zoals het graafschap Vlaanderen behielden een sterk centraal gezag, waardoor ze niet uiteenvielen.

Ook begonnen langzamerhand de steden, veelal gesticht in de Romeinse tijd, weer te groeien en ontstonden er nieuwe steden en dorpen dankzij de bevolkingstoename. Ook de handel kwam weer op gang. Steden werden vooral door hun muren een machtsfactor van belang en dit leidde uiteindelijk vooral in Vlaanderen en Italië tot het ontstaan van machtige steden die in verzet konden komen tegen de alleenheerschappij van de adel en geestelijkheid.

De grote epidemie van de Zwarte Dood van 1347 maakte een einde aan een periode van stabiele bevolkingsgroei en het wankele evenwicht tussen vraag en aanbod van voedsel. Omdat een derde van de plattelandsbevolking was gestorven, daalde het voedselaanbod drastisch (boeren konden in 1352 viermaal zoveel voor hun graan vragen). De boeren eisten hun heer om meer vrijheid vooraleer ze zouden blijven om het land te bewerken. Zonder de boeren zouden feodale heren hun luxueuze levensstijl en strijdlust moeten opgeven; daarom stemden ze steeds meer in met de eisen om horigen en ook hele dorpen de vrijheid te geven.[2]

Tijdens de renaissance verloor de feodaliteit veel invloed in West-Europa. De lenen vervielen in de handen van een kleiner wordende groep adellijke families door het proces van vererving. Zo was een groot deel van de gewesten in de Lage Landen in de 15e eeuw in een personele unie onder Filips de Goede verbonden. Door deze vererving ontstonden eveneens enkele grote bondgenootschappen die om de opperste macht streden (bijvoorbeeld de Hoeken vs. Kabeljauwen in Holland en de Lancasters vs. Yorks in Engeland). Rond 1500 was de feodaliteit zodoende tot haar bloedige eindstrijd gekomen. Vooral in Frankrijk was de absolute koninklijke macht intussen hersteld. De adel bleef meestal wel bestaan, maar werd tot hofadel gereduceerd.

Formeel werden de feodale rechten afgeschaft onder invloed van de Franse Revolutie en de daaropvolgende Franse bezetting van delen van Europa. De heerlijkheden werden afgeschaft en ondergebracht in gemeenten. Het bestuur was niet meer erfelijk, maar werd toegekend door de bevolking in de vorm van verkiezingen. De departementen en later provincies namen de plaats in van de oude vorstendommen.

In Midden- en Oost-Europa bleef de feodaliteit echter nog lang bestaan. In de 19e eeuw werd dit hier pas officieel afgeschaft (oostelijke gebieden van Pruisen omstreeks 1850 na het revolutiejaar 1848, Rusland en Polen pas in 1861) maar in de praktijk bleven hier vaak nog, vooral op het platteland, tot aan de eerste wereldoorlog feodale verhoudingen bestaan.

Het Kanaaleiland Sark kan beschouwd worden als de laatste feodale natie ter wereld, omdat veel wetten ongewijzigd zijn gebleven sinds de feodale tijd.

Zie ook

Feodale piramide

Literatuur

Bron
  • Meens, Rob (2015) 'De feodale middeleeuwen' in: Cultuurgeschiedenis van de middeleeuwen, p. 111-125 (WBOOKS, Zwolle)
Noot
  1. Van de Kieft concludeert dat je moeilijk kunt stellen dat de maatschappij als geheel in de periode tussen 750 en 1300 werd gedetermineerd door het feodale element.
  2. Elizabeth Brown is van mening dat 'feodaliteit' in handboeken en schoolboeken veel te simplistisch voorgesteld wordt. Zij pleitte ervoor het begrip helemaal af te schaffen, ook in het onderwijs. Volgens haar heeft er niet iets als feodaliteit bestaan, is het slechts een constructie van latere juristen en historici.
  3. Susan Reynolds stelt in 1984 dat 20ste-eeuwse historici de feodaliteit te veel als toonaangevend interpreteerden, waardoor een misleidend beeld van de middeleeuwen is ontstaan. Feodaliteit was slechts een van de vormen van de sociale verhoudingen in de middeleeuwen. Ook stelt zij dat historici te weinig aandacht schonken aan de grote regionale verschillen.
  4. Susan Reynolds stelt in 1992 het begrip 'feodaliteit' fundamenteel ter discussie. Zij stelt dat het niet zozeer een reëel sociaal verschijnsel in de periode 800-1300 betreft maar een constructie van 13de-eeuwse juristen. Vanaf 1200 ontwikkelden universitair gestudeerde juristen concepten om het gezag van de koning te verzekeren. De idee van de feodale piramide met de koning aan top is volgens haar pas in de 13de eeuw ontstaan.
  5. Barbara Rosewein is van mening dat het begrip 'feodaliteit' niet precies te definiëren is en daardoor onbruikbaar om de complexe sociale, economische en politieke verhoudingen van de middeleeuwen te begrijpen.
Referentie
  1. Jan Dumoulyn, “Dominante klassen en elites in verandering in het laatmiddeleeuwse Vlaanderen”, in: Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis 5 (2002) p. 74
  2. Daniels, Peter; Bradshaw, Michael; Shaw, Denis; Sidaway, James. (2008) An introduction to human geography; issues for the 21st century, Essex: Pearson Education Limited, p. 42.
  1. Van de Kieft concludeert dat je moeilijk kunt stellen dat de maatschappij als geheel in de periode tussen 750 en 1300 werd gedetermineerd door het feodale element.
  2. Elizabeth Brown is van mening dat 'feodaliteit' in handboeken en schoolboeken veel te simplistisch voorgesteld wordt. Zij pleitte ervoor het begrip helemaal af te schaffen, ook in het onderwijs. Volgens haar heeft er niet iets als feodaliteit bestaan, is het slechts een constructie van latere juristen en historici.
  3. Susan Reynolds stelt in 1984 dat 20ste-eeuwse historici de feodaliteit te veel als toonaangevend interpreteerden, waardoor een misleidend beeld van de middeleeuwen is ontstaan. Feodaliteit was slechts een van de vormen van de sociale verhoudingen in de middeleeuwen. Ook stelt zij dat historici te weinig aandacht schonken aan de grote regionale verschillen.
  4. Susan Reynolds stelt in 1992 het begrip 'feodaliteit' fundamenteel ter discussie. Zij stelt dat het niet zozeer een reëel sociaal verschijnsel in de periode 800-1300 betreft maar een constructie van 13de-eeuwse juristen. Vanaf 1200 ontwikkelden universitair gestudeerde juristen concepten om het gezag van de koning te verzekeren. De idee van de feodale piramide met de koning aan top is volgens haar pas in de 13de eeuw ontstaan.
  5. Barbara Rosewein is van mening dat het begrip 'feodaliteit' niet precies te definiëren is en daardoor onbruikbaar om de complexe sociale, economische en politieke verhoudingen van de middeleeuwen te begrijpen.
  1. Jan Dumoulyn, “Dominante klassen en elites in verandering in het laatmiddeleeuwse Vlaanderen”, in: Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis 5 (2002) p. 74
  2. Daniels, Peter; Bradshaw, Michael; Shaw, Denis; Sidaway, James. (2008) An introduction to human geography; issues for the 21st century, Essex: Pearson Education Limited, p. 42.
Ancien régime

Met het ancien régime (Frans voor oud stelsel of oud systeem) wordt de periode bedoeld waarin het Franse koninkrijk op absolutistische wijze werd geregeerd door het huis Bourbon, vóór de Franse Revolutie van 1789. Met de term 'ancien régime' wordt daarnaast ook de periode uit de Europese geschiedenis aangeduid die begint aan het einde van de middeleeuwen en eindigt met de Franse Revolutie. Als dusdanig is het een substituut voor 'vroegmoderne tijd', een periode in de Europese geschiedenis die loopt van ca. 1450 tot ca. 1800.

In Nederland en België wordt met ancien régime doorgaans de institutionele organisatie bedoeld die onmiddellijk na de Franse invasie van 1794-1795 en de uitroeping van de Bataafse Republiek werd opgeheven. Deze administratieve en rechterlijke instellingen vonden hun wortels veelal in het feodalisme van de middeleeuwen, hoewel onder invloed van het verlichtingsdenken reeds aanzetten tot hervormingen waren doorgevoerd in de 18e eeuw (meer bepaald tijdens de Oostenrijkse periode in de Zuidelijke Nederlanden).

Bisschoppelijke tafel

De bisschoppelijke tafel (Latijn: mensa episcopalis) is de naam van een bestuurlijk orgaan dat, in het feodale tijdperk, de bezittingen van het bisdom regelde.

De oorsprong hier gaat terug op onder andere Paulus' Brief aan de Korintiërs (1 Kor, 9) waarin onder meer gesteld wordt: Hebben wij geen recht op eten en drinken? Aldus ontstond de regel dat zij die het altaar bedienen ook het recht hebben om ervan te leven. Dit hield in dat de -aanvankelijk vrijwillige- gaven die tijdens de eucharistieviering werden verworven, voor een deel onder de geestelijkheid werden verdeeld. Een deel was voor de armen, een deel voor de eredienst, een deel voor de celebrerende geestelijken en een deel voor de bisschoppelijke tafel. Aanvankelijk betrof dit een bisschop en de mensen die deze gastvrijheid verleende.

Naarmate het feodalisme zich ontwikkelde werd de bisschoppelijke tafel meer en meer een feodaal instrument, dat heel wat grondgebied bezat en delen daarvan in leen uitgaf als een heerlijkheid. Vooral in door een bisschop geleide staten, zoals het Sticht Utrecht en het Prinsbisdom Luik, had de bisschoppelijke tafel vele bezittingen, waarvan de inkomsten in het levensonderhoud van de bisschop voorzagen.

Boerenstand

De boerenstand bestaat uit een aantal sociale lagen in de agrarische wereld die voortkomen uit de economische waarde van het bedrijf.

Communistische Partij van Nepal

De Communistische Partij van Nepal was een Nepalese communistische partij die op 29 april 1949 in Calcutta (India) werd opgericht. Puspa Lal werd tot secretaris-generaal gekozen. De CPN keerde zich tegen het feodalisme en het anti-democratische bewind van Rana-familie (de "erfelijke" premiers) in Nepal. De CPN nam actief deel aan de volksopstand van 1951 die een einde maakte aan het Rana-bewind.

Eedgenootschap

Een eedgenootschap als rechtsbegrip is een verbinding tussen gelijkwaardige kameraden die elkaar voor een bepaalde tijd of voor eeuwig een eed bij God zweren als hoogste vorm van menselijke zelfverplichting. In deze zin staat het in direct contrast met feodalisme met haar hiërarchisch-asymmetrische organisatie.

Heer (feodalisme)

De heer of vrijheer, soms ook wel vrouwe of vrijvrouwe, was in het ancien régime de heerser van een heerlijkheid. Hij was doorgaans een leenman van het landsheerlijke gezag boven hem. In het geval dat de keizer direct boven de heer stond en deze dus geen hiërarchische binding had met een "tussenliggende heerschappij", spreken we van een baanderheer of bannerheer of ook wel van een "rijksonmiddellijke heerlijkheid". Dit waren vaak zeer machtige personen die zich met succes wisten te verzetten tegen de invloed van de hertog of de graaf van het omringende gebied en zo hun onafhankelijkheid wisten te bewaren.

Heren van Tielen

De heer van Tielen was de eigenaar van heerlijkheid Tielen en later ook heerlijkheid Gierle. Zijn woonst was het kasteel van Tielen. De heerlijkheid Tielen behoorde eerst tot het land van Geel, later onder het land van Herentals in het hertogdom Brabant. Zie hiernaast een kaart van 1645 waar Tielen op vermeld staat onder land van Herentals. De heerlijkheid Gierle behoorde tot het land van Turnhout.

Hoge heerlijkheid

Een hoge heerlijkheid was vanaf de Middeleeuwen tot laat in de achttiende eeuw een zelfstandig gebied met eigen wetten en rechtspraak. De landsheer bezat ook het recht om lijfstraffen uit te delen en zelfs het halsrecht, het recht om misdadigers tot de galg te veroordelen en te laten executeren. Aan een hoge heerlijkheid waren daarnaast ook nog de rechten verbonden met betrekking tot jacht en visserij, het molenrecht en de benoeming van dragers van openbare ambten. Een belangrijke bron van inkomsten was het tiendrecht.

In de Nederlanden bevonden zich voor de vestiging van de Nederlandse eenheidsstaat talloze gebieden waar een heer de macht uitoefende. In de heerlijke baljuwschappen werden de baljuws (politiecommissarissen) direct door de lokale heer aangesteld. In de Franse tijd werden de heerlijke rechten vanaf 1795 afgeschaft en werden de heerlijkheden (en daarmee het feodalisme) opgeheven. De rechtspraak werd voor het gehele land gelijkgetrokken en was na 1804 gebaseerd op de Code Napoléon.

Kasteel van Tielen

Kasteel van Tielen, ook wel De Tielehof genoemd, is een omgracht middeleeuws kasteel met ophaalbrug gelegen net buiten de dorpskom van Tielen in de Belgische gemeente Kasterlee, gelegen aan Hofdreef 27. De "Kasteeldreef", een gekasseide beukendreef, verleent een bijkomende toegang in het zuidwesten en werd aangelegd in de loop van de 19de eeuw.

Koninkrijk Kroatië (middeleeuwen)

Het koninkrijk Kroatië was een middeleeuws koninkrijk in Europa (925-1102)

Koninkrijk Napels

Het koninkrijk Napels, bestaande uit het zuidelijk deel van het Apennijns Schiereiland, was het restant van het oude koninkrijk Sicilië na de afscheiding van het eiland Sicilië als gevolg van de opstand van de Siciliaanse Vespers van 1282. Bekend bij tijdgenoten als het koninkrijk Sicilië werd het het koninkrijk Napels genoemd om het te onderscheiden van de eilandgebaseerde staatsinrichting. Gedurende een groot deel van zijn bestaan werd het koninkrijk betwist tussen Franse en Aragonese/Spaanse dynastieën. In 1816 werd het weer samengevoegd met het eilandgebaseerde koninkrijk Sicilië om het koninkrijk der Beide Siciliën te vormen.

Laat (feodalisme)

Een laat (Middelnederlands laet) was in de vroege middeleeuwen een gedeeltelijk onvrije boer, afstammend van een persoon die zich min of meer vrijwillig onvrij gemaakt had in ruil voor de bescherming van een lokale heer. Evenals horigen was de laat aan de grond, en niet aan de heer gebonden. De laat mocht bezit hebben, maar was belastingplichtig aan de heer. De laat had daarnaast enkele persoonlijke en zakelijke rechten: volgrecht, huwelijksrecht, maar bij zijn dood keerde het land terug naar de oorspronkelijke eigenaar (mainmorte, of dode hand), die in de meeste gevallen het contract vernieuwde. De laten werden in de 13de eeuw volledig vrij.

Een laathoeve of cijnshoeve was een hoeve waar recht gesproken werd in geschillen tussen de laat en de heer, en de plek waar de laat een deel van zijn oogst moest afstaan. De laathoeve was eigendom van de heer, maar er kon een laat als zetboer in werkzaam zijn.

De laathoeve kon bestaan uit een centraal gebouw, grond die door de heer of pachter werd gebruikt, grond die door cijnsplichtige laten werd bewerkt en waar hun huizen op stonden, en een soort rechtbank of laatbank. Het was in het feodale stelsel de laagste vorm van belening. De aan de laathoeve toebehorende grond werd het laatgoed genoemd.

Het woord laat komt voor in familienamen als De Laat en De Laet. Ook komt het voor in de oudste Nederlandse zin:

Deze formule werd uitgesproken bij het vrij verklaren van een laat.

Leen

Leen kan verwijzen naar:

Leen (voornaam), voor de voornaam;

Leen (Fries leen), zie vicarie;

Leen (feodalisme), zie ook leenstelsel en feodalisme.

Leen (feodalisme)

Een leen was een gift van een leenheer aan een leenman. Aanvankelijk werd dit beneficium genoemd, vanaf de tiende eeuw feodum. Dit kon land zijn, maar ook een ambt of geldelijke inkomsten. In de ruileconomie ten tijde van het Frankische Rijk konden leenmannen echter vrijwel alleen beloond worden door hen gronden en het vruchtgebruik daarvan te geven.

Door dit leen bond de heer zijn vazallen aan zich, bezegeld door het manschap. Voor beide partijen vloeiden hier verplichtingen uit. De vazallen waren verplicht de heer bij te staan met manschappen ten tijde van oorlog. De heer moest op zijn beurt hen beschermen en zorgen dat zij in hun levensonderhoud konden voorzien.

Aanvankelijk was een leen slechts tijdelijk en viel het na de dood van de vazal weer terug aan de heer. De leenmannen streefden echter steeds meer naar erfelijkheid en dat was dusdanig algemeen dat leenheren hier met hun beperkte middelen niet goed tegen op kon treden. In 877 werd dit gelegaliseerd door het Capitulare van Quierzy. Hieruit ontwikkelde het systeem zich tot het feodalisme, het leenstelsel van de Europese Middeleeuwen.

Een allodium was tijdens het ancien régime een onroerend goed dat geen leengoed was en waarover bij erven geen belasting hoefde te worden betaald. Het werd ook zonneleen genoemd.

Zie ook zwaardleen en spilleleen.

Leenstelsel

Het begrip leenstelsel of leenwezen, ook wel 'feodaal stelsel', is een bestuursvorm waarbij de leenheer zich van de persoonlijke afhankelijkheid van zijn vazallen of leenmannen verzekerde door het uitgeven van lenen.

Malcolm III

Malcolm III, Schots-Gaelisch: Maol Chaluim mac Dhonnchaidh (?, ca. 1031 – Alnwick, 13 november 1093), bijgenaamd Canmore (groot hoofd, grote baas), was koning van Schotland van 1058 tot en met 1093.

Nadat zijn vader koning Duncan I in 1044 verslagen was, ging Malcolm III naar zijn oom Siward van Northumbria. In 1057 doodde hij koning Macbeth bij Lumphanan (Aberdeenshire) en diens stiefzoon koning Lulach the Fool (de gek) bij Huntly een aantal maanden later op 23 april 1058. Dit leverde hem een reputatie op van een sterke krijger-koning.

Hij had drie kinderen uit zijn eerste huwelijk met Ingebjorg Finnsdotter, nicht van Olaf II van Noorwegen, waarvan de oudste zoon Duncan de troonopvolger was. Ingebjorg was eerder gehuwd met Thorfinn Sigurdsson, earl van Orkney.

Door de invasie van de Normandiërs in 1066 vluchtten veel Engelsen naar Lothian, waaronder Edgar Ætheling, de Angelsaksische opvolger van de Engelse troon. Malcolm III trouwde diens zus Margaretha in 1069. Onder invloed van zijn vrouw en de andere Angelsaksische vluchtelingen, voerde Malcolm III vele wijzigingen door in Schotland die de Keltische tradities ondermijnden. Zo romaniseerde hij de Keltische kerk, maakte Gaelisch tot de taal van het hof en verving het clansysteem door een vorm van feodalisme. Malcolm stichtte eveneens een abdij op de locatie waar in 1128 David I Dunfermline Abbey stichtte.

In 1072 viel Willem de Veroveraar Schotland binnen. Bij Abernathy moest Malcolm III zijn hoofd buigen voor Willem de Veroveraar en moest zijn zoon Duncan als gijzelaar naar het Engelse hof sturen. Malcolm ontving in ruil goederen in Engeland. Dit weerhield hem er niet van nog meerdere malen Engelse opstandelingen te steunen en Engelse bezittingen te plunderen. In 1080 kwam de bisschop van Durham hierbij om het leven. Steeds moest Malcolm weer het oppergezag van de Normandiërs erkennen. Na mislukte besprekingen over de status van zijn Engelse bezittingen ondernam hij zijn vijfde inval in Engeland. Op 13 november 1093 werd Malcolm III bij Alnwick Castle in een hinderlaag gelokt door Robert de Mowbray, graaf van Northumbria, waarbij hij de dood vond. Zijn vrouw stierf drie dagen later in Edinburgh Castle.

Malcolm werd begraven in Tynemouth Priory. In 1250 werd hij na de canonisatie van zijn vrouw Margaretha met haar herbegraven in Dunfermline Abbey. In 1597 werden ze samen herbegraven in het Escorial.

Malcolm en Ingebjorg kregen de volgende kinderen:

Duncan II van Schotland

DonaldMalcolm en Margaretha kregen de volgende kinderen:

Eduard, vermoord te Alnwick Castle op 13 november 1093

Edmund, koning van Schotland

Edgar van Schotland, 1074-1107

Alexander, ca. 1078-1124

Ethelred, lekenabt van Dunkeld

Edith, 1080-1118. Gehuwd met Hendrik I van Engeland

David, ca. 1084-1153

Maria, 1082-1116. Gehuwd met Eustaas III van Boulogne

Slavenhandel

Slavenhandel is het kopen en verkopen van mensen om door middel van de handel in deze slaven financieel voordeel te behalen.

Een slavenhandelaar is een persoon die andere mensen als persoonlijk bezit toe heeft geëigend via ontvoering of handel en die deze slaven verder verhandelt. Er zijn vele verschillende vormen van slavernij en slavenhandel. Zowel in sedentaire als nomadische culturen over de hele wereld kwam slavenhandel voor. Slavenhandelaars kochten slaven bij lokale heersers, die vaak krijgsgevangenen, maar niet zelden ook hun eigen burgers aan de handelaars verkochten, of ze gingen op jacht en vingen zelf mensen die vervolgens als slaaf werden beschouwd.

Ten tijde van het Romeinse Rijk was er een levendige handel van slaven uit alle delen van het rijk en de omringende gebieden.

Het woord 'slaven' is afgeleid van het Byzantijns-Griekse Sklaviní (Σκλαβηνοί of Σκλαβινοί) waarmee de Slavische volkeren aangeduid werden. Als Saqaliba (Arabisch: صقالبة, Siqlabi) werden deze gedurende de Middeleeuwen in de islamitische wereld (het Midden-Oosten, Noord-Afrika, Sicilië en Spanje) verhandeld.

Door de opkomst van het feodalisme in West-Europa werd de slavernij daar geleidelijk vervangen door de lijfeigenschap. Ook de slavenhandel verdween geleidelijk uit West-Europa. Met het ontstaan van de wereldhandel en de behoefte aan goedkope arbeidskrachten in de koloniën gingen West-Europeanen zich echter wel met slavernij en slavenhandel inlaten door slaven te kopen.

Suzereiniteit

Suzereiniteit is de macht die een gebied domineert of die er een protectoraat uitoefent. Een suzerein is een dominerende staat of vorst. Het begrip 'suzereiniteit' wordt analoog aan soevereiniteit bijvoorbeeld gebruikt voor Tibet en Mongolië, die lange tijd onder de suzereiniteit van de Chinese keizers stonden.

Voogd (feodalisme)

Een voogd was in het feodale tijdperk een persoon die een bezit beheerde namens een andere instantie, dat kon een kerkelijke instelling als een abdij, klooster of een kerk met grote bezittingen zijn, maar ook een wereldlijk stift met gigantische, verdeeld gelegen domeinen.

Het gebied waarover de voogd het beheer voerde werd een voogdij genoemd.

Vaak was de voogd het familiehoofd van het adellijke geslacht dat de betreffende abdij of kerk, of het wereldlijke stift, had gesticht. Zo behield de familie zeggenschap over, en inkomsten uit, de landerijen die ze aan de instelling had geschonken. Niet zelden kwam het voor dat voogden zichzelf bevoordeelden ten koste van de instelling waarover ze voogd waren."Voogd" is de term, niet te verwarren met een 'algemene beschermvoogd', die in Duitstalige gebieden werd gebruikt, in Frankrijk werd de term lekenabt gebruikt. Zie dat artikel voor een meer uitvoerige beschrijving.

In andere talen

This page is based on a Wikipedia article written by authors (here).
Text is available under the CC BY-SA 3.0 license; additional terms may apply.
Images, videos and audio are available under their respective licenses.