Efraïm (stam)

De stam van Efraïm is in de Hebreeuwse Bijbel een van de twaalf stammen van het volk Israël. Het was tevens de meest dominante stam in het latere koninkrijk Israël.

De stam van Efraïm had als stamvader Efraïm, de jongere zoon van Jozef, broer van Manasse en kleinzoon van Jakob.

Net zoals Efraïm en Manasse tijdens hun leven een hechte band met elkaar hadden, zo hadden ook hun nakomelingen een hechte band. De stammen van Efraïm en Manasse werden soms collectief het huis van Jozef genoemd. Tijdens de Exodus telde de stam van Efraïm 40.500 weerbare mannen (Numeri 1:33). Toen Mozes uit iedere stam één verspieder uitkoos om Kanaän te verkennen werd uit Efraïm Jozua, de zoon van Nun, uitgekozen (Numeri 13:8).

Bij de verovering van Kanaän was een belangrijke rol weggelegd voor de stam van Efraïm, want Jozua was Mozes opgevolgd als leider van de Israëlieten nadat deze was gestorven. Na de verovering van Kanaän kreeg Efraïm een groot stuk land in het midden van het land toegewezen. Samen met de stammen van Manasse en Juda behoorde Efraïm tot de belangrijkste stammen van Israël. Binnen haar grondgebied lagen de belangrijkste plaatsen van het land. Zo lag Sichem, de plaats waar Jozua na de verovering het land onder de Israëlieten verdeelde, in het gebied van Efraïm. De stad zelf was echter aan de Levieten toegewezen. Ook de heilige plaatsen Betel en Silo, de stad waar het tabernakel en de Verbondsark waren gehuisvest, behoorden tot het stamgebied.

Na de dood van koning Salomo viel het Israëlitische koninkrijk in twee delen uiteen. Het zuiden, met de stammen Juda en Benjamin, bleef trouw aan Salomo's zoon Rechabeam. Het noorden, met de tien andere stammen, zwoer trouw aan de Efraïmiet Jerobeam die het koninkrijk Israël oprichtte. Rechabeam werd de eerste koning van Juda. Jerobeam vestigde zich in de stad Sichem, in het bergland van Efraïm (1 Koningen 12:25).

Toen Israël in 722 v.Chr. door de Assyriërs werd veroverd, werd de stam van Efraïm samen met de andere stammen in ballingschap weggevoerd. Het lot van deze stammen was onbekend en daarom zijn de stammen de geschiedenis ingegaan als 'de tien verloren stammen van Israël'. Zo worden de Samaritanen geacht uit de stammen van Efraïm en Manasse voort te komen. In het zuiden van India woont een joodse gemeenschap die claimt af te stammen van de stam van Efraïm.

Merkwaardig is dat Efraïm niet genoemd wordt in de opsomming van Openbaring 7:4-8. Wel worden Jozef en Manasse genoemd, alsof dat onafhankelijke stammen zijn.

Stammen van IsraëlDavidster
Zoons van Jakob:Ruben · Simeon · Levi · Juda · Dan · Naftali · Gad · Aser · Issachar · Zebulon · Jozef · Benjamin
Stammen van Israël:Ruben · Levi · Dan · Naftali · Gad · Aser · Issachar · Zebulon · Jozef (Manasse · Efraïm)
Stammen van Juda:Juda · Simeon · Benjamin
12 stammen van Israël
Stamgebieden in het Bijbelse Israël
Bilha (religie)

Bilha was een vrouw van Jakob. Zij was een slavin van Laban. Hij gaf haar aan zijn dochter Rachel toen ze met Jakob trouwde. Omdat Rachel geen kinderen kreeg, gaf ze Jakob haar slavin Bilha tot vrouw. Ze gaf hem twee zonen, Dan en Naftali. Later kreeg Rachel zelf twee kinderen, Jozef en Benjamin.

Jakob (aartsvader)

Jakob, Jacob of Ja'akow (Hebreeuws: יַעֲקֹב ja‘ǎqov, "God / de godheid beschermt" of "moge God / de godheid beschermen", Arabisch يعقوب Yaʿqūb), later ook Israël genoemd, is volgens de traditie in de Hebreeuwse Bijbel de derde aartsvader, na zijn grootvader Abraham en vader Isaak.

Jakob is de stamvader van de Israëlieten, waarvan de oorspronkelijke twaalf stammen uit zijn twaalf zoons ontstaan zijn. Om die reden werd de naam ook gebruikt om het volk Israël aan te duiden en na de opsplitsing van het rijk als aanduiding voor het noordelijke koninkrijk Israël, terwijl het zuidelijke koninkrijk Juda werd genoemd. Na de vernietiging van het noordelijke koninkrijk in 722 v.Chr. werd Jakob ook gebruikt om het zuidelijke koninkrijk aan te duiden.

Laban (Hebreeuwse Bijbel)

Laban is een persoon, die voorkomt in de Hebreeuwse Bijbel in het Bijbelboek Genesis. Laban is de vader van Lea en Rachel, de vrouwen van Jakob. Jakob is op zijn beurt de zoon van Rebekka, de zuster van Laban.

Nadat Jakob zijn broer Esau had bedrogen en hem het eerstgeboorterecht had afgetroggeld, stuurde zijn moeder Rebekka hem naar haar broer Laban. Laban was een vermogend man; hij bezat landerijen en vee. Zijn woonplaats lag in Paddan-Aram.

Lea

Lea (Hebreeuws לֵאָה, Le'ah) was volgens de traditie in de Hebreeuwse Bijbel de eerste vrouw van Jakob, de moeder van zes van Jakobs zonen die de stamvaders van zes van twaalf stammen van Israël waren en daarmee de eerste van de twee stammoeders van Israël. Lea had één dochter, Dina. Haar verstandhouding met Rachel, haar jongere zuster en tweede vrouw van Jakob, was niet al te best.

Rachel (aartsmoeder)

Rachel (Hebreeuws: רָחֵל, Rāḥêl, "ooi") was volgens het verhaal in Genesis in de Hebreeuwse Bijbel de tweede vrouw van de aartsvader Jakob, na haar zus Lea, die eerder met Jakob trouwde. Rachel was de tweede dochter van Laban (na Lea), de broer van Jakobs moeder Rebekka. Rachel was dus een nicht van Jakob. Ze was de moeder van Jozef en Benjamin.

Zilpa

Zilpa was een van de vrouwen van Jakob. Zij was een slavin van Laban. Hij gaf Zilpa aan zijn dochter Lea toen ze met Jakob trouwde. Toen Lea geen kinderen meer kon krijgen gaf ze Zilpa aan Jakob als vrouw. Zij gaf hem twee zonen: Gad en Aser.

In andere talen

This page is based on a Wikipedia article written by authors (here).
Text is available under the CC BY-SA 3.0 license; additional terms may apply.
Images, videos and audio are available under their respective licenses.