Edom

Edom (Hebreeuws: אֱדוֹם 'Edôm) is het gebied waar in de oudheid de Edomieten woonden. In Assyrische bronnen wordt het gebied Udumi genoemd. In de Grieks-Romeinse periode heette het gebied Idumea (Grieks Ἰδουμαία (Idoumaia); Latijn: Idumaea).

Edom mtns
Bergen van Edom, gezien over de Dode Zee

Naam en gebied

De naam Edom betekent vermoedelijk 'rood'. Gewoonlijk brengt men dit in verband met de bergen van roodachtige zandsteen in het gebied ten zuiden van de Dode Zee. Mogelijk is er ook een verband met de betekenis van de naam van Esau, die volgens het Bijbelboek Genesis de stamvader was van de Edomieten. Esau was 'rossig' en 'daarom noemden zij hem Esau' (Gen 25:25). Volgens Gen 25:30, werd Esau ook Edom genoemd omdat hij verlangde naar de rode linzensoep van Jakob.

Het gebied dat als Edom wordt aangeduid, is door de tijd heen niet altijd hetzelfde geweest. Rond 600 v.Chr., toen het Edomitische rijk op zijn hoogtepunt was, besloeg het het gebied ten Zuiden van de Dode Zee, tot aan de Golf van Akaba. In de Grieks-Romeinse periode was dit gebied grotendeels in handen van de Nabateeërs en besloeg (het toen zo genoemde) Idumea het Zuidelijk deel van wat eerder het Koninkrijk Juda geweest was.

Geschiedenis tot de Perzische periode

Levant 830 nl 3
De Levant rond 830 v.Chr.
Geel: Edom

De oudst bekende verwijzing naar Edom staat in een Egyptische bron uit de tijd van farao Merenptah (ca. 1213 - 1203 v.Chr.).[1] De Edomieten worden hier terloops genoemd als een groep met elkaar verbonden bedoeïnenstammen.

De Hebreeuwse Bijbel stelt dat de Edomieten afstammen van Esau, de oudere broer van Jakob en neemt een lijst op met stamhoofden uit de periode kort na Esau.[2] De voornaamste bron voor Edom in deze periode is de Hebreeuwse Bijbel, waar de Edomieten nogal eens als tegenstanders van de Israëlieten naar voren komen.

Ten tijde van de Israëlitische koningen David en Salomo was Edom een vazalstaatje van het Israëlitische koninkrijk. Tegen het einde van Salomo's regering kwamen de Edomieten weliswaar in opstand, maar korte tijd later werden zij toch opnieuw een vazal van het inmiddels ontstane Koninkrijk Juda.

Rond 850 v.Chr. kwamen de Edomieten nogmaals tegen de Israëlieten in opstand, nu met meer succes. Zo ontstond een onafhankelijk Edomitisch koninkrijk.[3] Over deze periode is niet veel bekend.

In 732 v.Chr. maakte Tiglat-Pileser III een einde aan de onafhankelijkheid en werd Edom een vazal van Assyrië. Uit opgravingen blijkt echter dat Edom juist in deze periode tot haar grootste bloei kwam, vermoedelijk vooral doordat de handelsroutes vanuit Damascus naar het Zuiden door het gebied van Edom liepen. Rond deze tijd was Petra de belangrijkste Edomitische stad.

De val van het Assyrische rijk betekende opnieuw onafhankelijkheid voor Edom, maar niet voor lang: in 605 v.Chr. plaatste Nebukadnessar Edom onder Babylonisch bestuur. Als bondgenoten van de Babyloniërs waren de Edomieten betrokken bij de verwoesting van Jeruzalem in 586 v.Chr.[4] Als trouw vazal had Edom aanvankelijk zelf niet te lijden onder de Babyloniërs. Dit veranderde toen de Babylonische koning Nabonidus rond 555 v. Chr. op zijn campagne in het westen van zijn rijk de Edomieten aanviel en vrijwel geheel vernietigde of in slavernij afvoerde. Alleen enkele arme Edomieten overleefden dit. Daardoor konden tussen de 6e en de 4e eeuw Arabische stammen en vooral de Nabateeërs de overgebleven Edomieten steeds verder naar het westen drijven, zodat het oorspronkelijke hartland van Edom door hen werd overgenomen. De profetie van de Israëlitische profeet Obadjah was hiermee vervuld circa 30 jaar nadat hij het had uitgesproken.

De Mesopotamiërs hadden het hartland van de Edomieten de naam Udumi gegeven en die naam bleef gehandhaafd. Uit de periode na de aanval van Nabonidus en uit de tijd van de Perzische overheersing is niet veel bekend over Edom of de Edomieten. Wel lijkt het erop dat het voormalige gebied van de Edomieten Udumi pas laat in het Perzische bestuurssysteem werd opgenomen.[5] De Grieken en Romeinen die later het gebied veroverden gaven het gebied de naam Idumea afgeleid van de oude Mesopotamische naam. De Edomieten waren echter toen als volk al uit de geschiedenis verdwenen.

Idumea

Gebied en bevolking

Edom
lichtrood: Edom rond 600 v.Chr.
donkerrood: Idumea

Met betrekking tot de Grieks-Romeinse periode spreekt men gewoonlijk niet meer van Edom, maar van Idumea. Het Idumea uit deze periode is maar een klein gebied vergeleken met de omvang die het Edomitische rijk eerder in de geschiedenis had (zie kaartje). Het was echter wel strategisch gelegen: de belangrijke Oost-West route tussen het rijk van de Nabateeërs en de havensteden Gaza, Askelon en Asdod liep door het gebied, alsmede enkele Noord-Zuid handelsroutes. De belangrijkste steden in het Idumea uit deze periode waren Hebron, Marisa, Adora en Betabris. De bevolking van Idumea bestond naast Edomieten onder meer uit Joden, Feniciërs en Nabateeërs.

Idumea onder de diadochen

Idumea kwam onder Grieks bestuur door de veroveringen van Alexander de Grote. Na zijn dood was Idumea aanvankelijk onderdeel van het rijk van de Ptolemaeën, maar rond 198 v.Chr. werd het gebied ingelijfd bij het Seleucidische rijk als gevolg van de veroveringen van Antiochus III. Zowel de Ptolemaeën als de Seleuciden bestuurden Idumea via gouverneurs.

Tijdens het begin van de Makkabeese opstand was het vooral vanuit Idumea dat de Seleuciden Judas Makkabeüs en zijn broers bestreden, vooral onder gouverneur Lysias. Dit kon echter niet voorkomen dat Judas' broer Simon uiteindelijk de onafhankelijke Joodse Hasmonese staat stichtte.

Idumea onder de Hasmoneeën

In 129 v.Chr. veroverde de Hasmonese koning Johannes Hyrkanus Idumea. Daarbij dwong hij de niet-Joodse bevolking van Idumea zich te laten besnijden en toe te treden tot het Jodendom.[6] Vanaf dat moment bleef Idumea deel van het Hasmonese rijk zolang dit bestond. Ook de Hasmoneeën bestuurden Idumea via gouverneurs. Uit deze periode zijn twee gouverneurs met name bekend:

Idumea als onderdeel van Judea

In 63 v.Chr. maakte de Romeinse generaal Pompeius een einde aan de onafhankelijke Hasmonese staat. Hyrkanus II werd door Pompeius aangesteld als vazalkoning over Judea, waartoe hij ook Idumea rekende. Antipater bleef gouverneur van Idumea en was Hyrkanus' belangrijkste adviseur. Antipater wist zijn invloed echter snel te vergroten en toen na de opstand van de Hasmoneeër Antigonus de rol van Hyrkanus II was uitgespeeld, was het niet een Hasmoneeër die door de Romeinen als nieuwe vazalkoning werd aangesteld, maar Herodes de Grote, de zoon van Antipater, die het koningschap kreeg over het Joodse land. Hoewel Herodes zijn residentie had in Jeruzalem, bleef hij gedurende heel zijn leven Idumea als zijn belangrijkste machtsbasis zien. Herodes stelde Costobarus (de man van zijn zuster Salomé) aan als gouverneur over Idumea.

Ook na de dood van Herodes de Grote bleven de Romeinen Idumea zien als deel van Judea, zowel in tijden dat Judea een vazalstaat was onder een Herodiaanse koning als in tijden dat Judea een provincia was. Idumea bleef telkens bestuurd door gouverneurs, die verantwoording verschuldigd waren aan de koning, prefect of procurator over Judea.

Ondergang van Idumea

In de Joodse Opstand (66-70 na Chr.) koos Idumea de zijde van de Zeloten, die leiding gaven aan de opstand tegen de Romeinen. Op verschillende momenten tijdens de opstand kwamen Idumeese troepen de Zeloten in Jeruzalem te hulp. Tegelijkertijd waren er in deze periode ook bendes die profiteerden van de anarchie en plunderend door Idumea trokken, waardoor veel Idumeeërs hun toevlucht in Jeruzalem zochten.

Op bevel van Vespasianus, die door keizer Nero naar Judea was gestuurd om de opstand neer te slaan, werden in Idumea grote verwoestingen aangericht en werd de Idumeese bevolking gedecimeerd (plm. 68 na Chr.). Na de val van Jeruzalem (70 na Chr.) wordt in de historische bronnen geen melding meer gemaakt van Idumea. Het gebied is opgegaan in Judea en van het volk van de Edomieten/Idumeeërs is geen sprake meer.

Noten

  1. Papyrus Anastasi 6, 54-56 (Pritchard, Ancient Near East Texts, 259)
  2. Genesis 36
  3. II Koningen 8:20
  4. Obadja 1, Psalm 137:7
  5. Herodotus, Historiën, III.4-9,88,97; Diodorus Bibliotheca Historia 19,98,1
  6. I Makkabeeën 4:36-59; Flavius Josephus, Ant. 13,257; Strabo, Geographika, 16,2,34.
Gebieden behorend tot de Hasmoneese en Herodiaanse rijken

Judea · Samaria · Galilea · Perea · Idumea · Dekapolis · Iturea · Batanea · Trachonitis · Auranitis · Gaulanitis

Aretas III

Aretas III Philhellenos was van 85 v.Chr. tot 62 v.Chr. koning van de Nabateeërs.

Hij volgde zijn vader Obodas I op. In tegenstelling tot zijn vader was hij niet erg opgewassen tegen de agressie van Alexander Janneüs. De joodse koning versloeg hem in 82 v.Chr. en zo zag Aretas zich gedwongen 12 steden in Moab en Edom en enige kuststeden langs de Middellandse Zee af te staan. Na de dood van koningin Alexandra in 67 v.Chr. was er onenigheid aan het hof van Jeruzalem. Hyrcanus II en zijn broer Aristobulus II betwistten elkaar de troon. Aretas zag zijn kans schoon toen Hyrcanus het hof in Petra als ballingsoord koos en om steun vroeg tegen zijn broer. Aristobulus werd verslagen en Aretas en Hyrcanus begonnen een beleg van Jeruzalem. De Romeinen, die dit als een kans zagen invloed op het gebied te verkrijgen, bemoeiden zich er echter mee en dwongen Aretas het beleg op te breken. Aristobulus achtervolgde Aretas en versloeg de Nabateeërs in 64 v.Chr. in het dal van de Jordaan. Aristobulus maakte daarna de fout om de Romeinen voor het hoofd te stoten en dezen verbonden zich daarna met Hyrcanus. Toch trokken zij in 62 v.Chr. op naar Petra. Aretas besloot om eieren voor zijn geld te kiezen en betaalde schatting. De Syrische gouverneur Marcus Aemilius Scaurus liet ter gelegenheid hiervan een munt slaan met Aretas geknield voor zijn kameel.

Aretas werd waarschijnlijk opgevolgd door Obodas II.

Beschermengel

Een beschermengel, engelbewaarder, wachtengel of bewaarengel is een engel die het beschermen en begeleiden van een bepaalde persoon, van groepen of naties als taak heeft.

Cheumatopsyche edom

Cheumatopsyche edom is een schietmot uit de familie Hydropsychidae. De soort komt voor in het Oriëntaals gebied.

Edom (Texas)

Edom is een plaats (city) in de Amerikaanse staat Texas, en valt bestuurlijk gezien onder Van Zandt County.

Esau

Esau of Ezau (Hebreeuws: עֵשָׂו, ‘eśāw), was volgens de Hebreeuwse Bijbel de tweelingbroer van Jakob en zoon van Isaak en Rebekka.

Gibberichthys pumilus

Gibberichthys pumilus is een straalvinnige vissensoort uit de familie van snavelvissen (Gibberichthyidae). De wetenschappelijke naam van de soort is voor het eerst geldig gepubliceerd in 1933 door Parr.

Hor (berg)

Hor (Hebreeuws: הֹר הָהָר') is de naam van een berg die op twee plaatsen vermeld wordt in de Hebreeuwse Bijbel. De ene vermelding slaat op een berg in de streek van Edom aan de oostelijk kust van de Dode Zee gelegen in het huidige Jordanië, de andere op een berg bij de Middellandse Zee aan de noordelijke grens van het Land van Israël.

Issachar (persoon)

De naam Issachar of Issakar betekent "huurling" of "er is loon". De naam komt in de Bijbel voor als:

De negende zoon van aartsvader Jakob. De vijfde zoon bij zijn vrouw Lea. In de zegen van Jakob wordt hij met een vergelijking als 'een gewillig iemand' beschreven. Issachar is de stamvader van de Israëlitische stam Issachar. De zonen van Issachar waren volgens Genesis 46 vers 12 Tola, Pua, Job en Simron.De zevende zoon van Obed-Edom, de poortwachter van de Tempel van Salomo.

Malthake

Malthake (of Malthace) (overleden 4 v.Chr.) was een van de tien vrouwen van Herodes de Grote. Malthake was een Samaritaanse en werd daardoor vermoedelijk net zomin geaccepteerd door de Joodse bevolking als Herodes zelf, die van een familie uit Idumea, Edom, was. Malthake had een dochter, Olympias, en twee zonen, Herodes Archelaüs en Herodes Antipas.

Moabieten

De Moabieten waren een Semitisch volk dat tussen de 13e eeuw v.Chr. en de 6e eeuw v.Chr. leefde in het gebied ten oosten van de Dode Zee in wat nu Jordanië is. Het land dat de Moabieten bewoonden werd Moab genoemd. Moab werd in het noorden begrensd door het koninkrijk van de Ammonieten, Ammon. Ten zuiden van Moab lag Edom. In het westen vormde de Dode Zee de scheidslijn tussen de Moabieten en de Israëlieten. De Moabitische taal behoorde tot de Kanaänitische taalgroep en vertoont zeer sterke overeenkomsten met andere Kanaänitische talen als het Ammonitisch, het Edomitisch en het Klassiek Hebreeuws, de taal van de Israëlieten. Hoewel de beide volkeren aan elkaar verwant waren, maakt de Bijbel melding van strijd tussen Moab en Israël. De Stele van Mesa, in de 9e eeuw v.Chr. opgericht door de Moabitische koning Mesa, verhaalt over de succesvolle opstand van Mesa tegen een opvolger van de Israëlitische koning Omri, mogelijk Achab of diens zoon Joram.

Een soortgelijke versie van de gebeurtenissen is terug te vinden in de Bijbel: 2 Koningen 3.

Numeri

Numeri (Latijn: "getallen", naar de Griekse benaming in de Septuagint: Ἀριθμοί, arithmoi, "tellingen") is het vierde boek van de Hebreeuwse Bijbel. In het Hebreeuws wordt het במדבר, bəmidbar, "in de wildernis" genoemd, naar wat in de Hebreeuwse versie het eerste woord van het boek is. Het behandelt de gebeurtenissen van de Israëlieten gedurende hun verblijf van 40 jaar in de woestijn.

Obadja (boek)

Obadja (Hebreeuws: עובדיה, ʿOvadyah of עבדיהו, ʿOvadyahu, "slaaf van God") is een boek in de Hebreeuwse Bijbel, in het christendom gerekend tot de kleine profeten. Volgens het opschrift van het boek is het geschreven door de profeet Obadja. Over hem is verder niets bekend.

Het boek is het kortste uit de Hebreeuwse Bijbel en bestaat uit één hoofdstuk in twee delen: over Edom (vers 1-16) en over het herstel van Israël gaat (vers 17-21).

Obadja verwijst naar de inname van Jeruzalem. Men neemt aan dat hij hiermee de inname van Jeruzalem door de Babyloniërs onder leiding van Nebukadnezar II in 586 v.Chr. bedoelt. Hierbij, aldus Obadja, keken de Edomieten met instemming toe, ze maakten zich er vrolijk over en leverden zelfs vluchtende Israëlieten aan de Babyloniërs over. God zal de Edomieten daarvoor straffen.

De inhoud van het boek Obadja vertoont een sterke gelijkenis met Jeremia 49.

Obed

De naam Obed betekent "Dienaar". De naam komt verschillende malen in de Bijbel voor.

De zoon van Boaz en Ruth (Ruth 4:17, I Kronieken 2:12), de vader van Isaï. In het Matteüs 1:5 en Lucas 3:32 staat deze Obed vermeld als een van de voorouders van Jezus Christus.

De zoon van Eflal uit de stam Juda (I Kronieken 2:37). Deze Obed was de vader van Jehu.

Een van Davids helden (I Kronieken 11:47).

De zoon van Semaja, Leviet en poortwachter (I Kronieken 26:7). Deze Obed kwam uit het geslacht van Obed-Edom.

De vader van de overste Azarja (II Kronieken 23:1), ten tijde van koningin Atalia of Atalja en de priester Jojada een verbond sloot.

Obed-Edom

Obed-Edom (uitspraak: oh'bed ie'doehm) is Hebreeuws voor “Dienaar van Edom” en is een persoon uit de Hebreeuwse Bijbel.

Hij was een Leviet van de familie van Korhieten afkomstig van Gat.

Hij had zich gevestigd te Judea.

David vervoerde de Ark van het Verbond van het huis van Abinadab in Gibea bij Kiriath-Jearim. De twee zonen van Abinadab dreven de nieuwe ossenwagen waarop de ark vervoerd werd: Uzzah ging achteraan. Toen hij aan de dorsvloer van Nachon kwam, raakte Uzzah de ark aan, omdat ze wankelde. Uzzah viel op slag dood. David bracht de ark binnen in het huis van Obed-Edom. De ark bleef daar drie maanden en bracht geluk aan Obed-Edom en zijn huis. David voerde de ark dan naar Jeruzalem en plaatste ze daar in het Tabernakel. Obed-Edom zou de schatten van de Tempel van Jeruzalem bewaakt hebben. Obed-Edom zou met zijn acht zonen de zuidelijke poort bewaakt hebben.

Oultrejordain

Oultrejordain (wat oud Frans is voor; Voorbij de Jordaan) was een naam die in de kruisvaartperiode (1100 - 1300) gebruikt werd om een nog niet geïdentificeerd gebied ten oosten van de rivier de Jordaan te benoemen. In de oudheid en de Bijbelse tijd stond het gebied bekend als Edom en Moab. Het gebied heette ook toen al Buitenjordanië of Transjordanië genoemd en ligt nu in Jordanië.

Samaël

Samaël, Sammael of Samil (Hebreeuws סַמָּאֵל, "gif van God", in het gnosticisme "blindheid van God") is een belangrijke aartsengel in het judaïsme, waar hij vorst van de demonen is, een beschuldiger (satan), verleider en verwoester en wordt beschouwd als zowel goed als slecht. In sommige werken wordt hij gelijkgesteld aan Lucifer, de duivel voor zijn val. Rabbijnse literatuur beschrijft Samaël als de beschermengel van Esau en Edom en de belangrijkste tegenstander van Michaël.

In de teksten uit de Talmoed wordt Samaël beschouwd als een lid van de hemelse heerscharen met vaak grimmige en destructieve taken. Een van de grootste rollen van Samaël in de joodse overleveringen is die van de belangrijkste aartsengel van de dood. Hij blijft een dienaar van Jahwe ook al vergoelijkt hij de zondes van mensen. Als engel verblijft Samaël in de zevende hemel, omdat de glorierijke troon in de zevende hemel aanwezig is, hoewel hij ook wordt beschreven als aanvoerder van de engelen van de vijfde hemel.

Seïrgebergte

Het Seïrgebergte (Hebreeuws: הַר-שֵׂעִיר) bevindt zich tussen de Dode Zee en de Golf van Akaba en was de zuidoostelijke grens tussen Edom en het Koninkrijk Juda. Het kan ook de oudere historische grens zijn geweest van het Egyptische Rijk in Kanaän. In de tempel van Amenhotep III in Soleb (ca. 1380 v.Chr.) wordt een plaats "Seïr, in het land van Shasu" genoemd, waarvan wordt aangenomen dat deze dicht bij Petra lag.

Uz (landstreek)

Uz is de naam van een landstreek in het Midden-Oosten die in de Bijbel (Job 1) genoemd wordt: "Er was in het land Uz een man, wiens naam was Job, en die man was vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad".

De exacte locatie van Uz is onbekend. De meest waarschijnlijke locaties zijn het Arabisch Schiereiland en Basan. De Bijbel geeft een aantal aanwijzingen:

Het land is mogelijk genoemd naar Uz, zoon van Aram, kleinzoon van Shem (Genesis 10:23, 1 Kronieken 1:17)

Een van de vrienden van

Job, Elifaz, kwam uit Teman (Job 4:1), dat gelegen is in Idumea (Edom), gelegen tussen de Golf van Akaba en de Dode Zee.Uz werd aangevallen door Sabeeërs en Chaldeeën.

Het moet een vruchtbaar gebied zijn geweest, aangezien Job een grote veestapel bezat (de Bijbel spreekt van "zevenduizend stuks kleinvee, drieduizend kamelen, vijfhonderd span runderen, vijfhonderd ezelinnen en een zeer grote slavenstoet, zodat deze man de rijkste was van het Oosten").

Er moet minimaal één belangrijke stad zijn geweest, want Job was gezeten voor de stadspoort.

In andere talen

This page is based on a Wikipedia article written by authors (here).
Text is available under the CC BY-SA 3.0 license; additional terms may apply.
Images, videos and audio are available under their respective licenses.