Deuteronomium

Deuteronomium is het vijfde boek van de Thora (Pentateuch) en Hebreeuwse Bijbel.

Deuteronomium
Voorpagina van het boek Deuteronomium in de Biblia de San Paolo (9e eeuw)
Voorpagina van het boek Deuteronomium in de Biblia de San Paolo (9e eeuw)
Auteur toegeschreven aan Mozes, zie ook Documentaire hypothese
Taal Hebreeuws
Categorie Religieus, Wet
Hoofdstukken 34
Andere naam דברים, Devariem
5 Mozes
Vorige boek Numeri
Volgende boek Jozua

Naamgeving

De naam Deuteronomium is afkomstig van het Griekse δευτερονόμιον, deuteronomion, "tweede wet". Dit is de term die de Septuagint gebruikt in de vertaling van Deuteronomium 17:18, waarin staat dat de koning een eigen afschrift moest maken van de wet.

De Hebreeuwse naam van dit boek is דְּבָרִים, debārīm, "woorden", naar de eerste woorden in de Hebreeuwse tekst.

Auteurschap en datering

Traditie en orthodoxe opvatting

Volgens de joodse overlevering en christelijke traditie schreef Mozes de Thora en dus ook Deuteronomium. Orthodoxe joden en christenen geloven nog steeds dat Mozes de oorspronkelijke auteur van Deuteronomium was. Hun argumenten zijn:

  1. In Deuteronomium wordt verteld dat Mozes de erin genoemde zaken op schrift stelde en deze in de Ark van het Verbond moesten worden bewaard;[1]
  2. De frequente aanhaling van het boek in de latere canon bewijzen leeftijd en autoriteit;[2]
  3. Het schrijverschap van Mozes wordt in het Nieuwe Testament geaccepteerd.[3]

Latere opvattingen

Het laatste hoofdstuk beschrijft Mozes' dood. Vroege studenten van de Talmoed merkten al op dat Mozes dan niet de auteur kon zijn. Sommigen suggereerden dat Mozes profetisch zijn eigen dood beschreef, maar de overheersende mening werd dat Jozua (of iemand anders) dit korte gedeelte aan de tekst toevoegde.

Latere Bijbelexegeten, zoals Abraham Ibn Ezra (ca. 1093-1167) merkten ook verschillen op in stijl en taal, en in zijn inleiding op Deuteronomium maakte Don Jitschak Abarbanel (1437-1508) duidelijk dat het boek een andere schrijver had dan de vier andere boeken. Beiden waren voorlopers van de huidige tekstkritische benadering, zoals de documentaire hypothese.

Huidige consensus en opvattingen

In de huidige wetenschappelijke kijk op Deuteronomium, vrijwel altijd op basis van de documentaire hypothese, staat centraal dat er aanwijzingen zijn dat het boek het eindproduct is van redactie. De belangrijkste aanwijzing dat er eerder afzonderlijke werken waren die zijn bewerkt en samengevoegd, is de zogeheten "numerus-wisseling" (wisseling tussen enkelvoud en meervoud), zoals in Deuteronomium 12, dat eerst in meervoud is geschreven (12:1-12) en overgaat in enkelvoud (vers 12:13 - 13:1). Hieraan ligt duidelijk ook een verschillende interpretatie ten grondslag. Daarmee is per definitie sprake van meerdere auteurs, vrijwel zeker in afzonderlijke tijdvakken.

Over het algemeen wordt aangenomen dat de (eind)redactie heeft plaatsgevonden of op zijn minst begon tijdens de reformatie onder koning Josia (640 - 609 v.Chr.).[4] Gottfried Seitz plaatst een fase die hij "deuteronomistische revisie" noemt in de tijd van Josia; oudere voorlopers, die hij "deuteronomistische verzameling" noemt, plaatst hij in de tijd van Jesaja (750 - 700 v.Chr.).[5]

Op een vergelijkbare manier gaat Martin Rose uit van een proces van vier fasen (tussen haakjes de toeschrijving van verzen uit de voorbeeldtekst Deuteronomium 12 hierboven):[6]

  1. Deuteronomistische laag uit de periode van Hizkia (vers 13-19)
  2. Deuteronomistische laag uit de periode van Josia (vers 20-27)
  3. Oudere deuteronomistische laag uit de periode van Babylonische ballingschap (vers 8-12)
  4. Jongere deuteronomistische laag uit de late periode van ballingschap of de vroege periode na de ballingschap (vers 2-7 en 29-31)

Tegenover dit het gelaagde model, waarbij Deuteronomium zou zijn ontstaan tijdens een lange periode, staat het blokmodel dat is ontwikkeld door Norbert Lohfink en Georg Braulik.[7] Volgens hen is er een oudste versie uit de tijd van de koning Hizkia, uitgebreid tot het federale document van koning Josia, dat deel zou uitmaken van een hypothetisch Jozua-verhaal over landverovering. Deze ontwikkeling vond hoofdzakelijk plaats (met verwijzing naar delen uit de raamhoofdstukken) in Deuteronomium 12-16 en 17. Pas in de tijd van de ballingschap werden de ambtswetten (16:18 - 18:22) toegevoegd, iets later dan het wetsmateriaal in 19-25. De problemen van deze opvatting liggen in de veronderstelling van pre-exilisch deuteronomisme, het creëren van ambtelijke wetten in een tijd dat Israël zijn politieke autonomie verloor en niets te zeggen had op dit gebied, de late goedkeuring van de wetten van 19-25, hoewel deze diepgeworteld zijn in de juridische traditie van het Oude Nabije Oosten, en het mogelijke bewijs van vroege kruisverwijzingen tussen secties die opeenvolgende groei in blokken uitsluiten.

Inhoud

Aan het einde van Numeri staan de Israëlieten in het territorium van de Moabieten en op het punt om het Beloofde Land binnen te gaan. Het opschrift van Deuteronomium 1:1-5 kondigt een rede van Mozes aan, die hij op dit markante punt in de geschiedenis van de Israëlieten hield. Aan het einde van Deuteronomium wordt naar die dag[8] en plaats Moab[9] terugverwezen.

Deuteronomium is daarom de afscheidsrede van Mozes, die hij hield met zijn dood voor ogen. Dit past in de traditie van deuteronomistische geschiedenis.[10] De afscheidsrede van Mozes valt op door de grote lengte. In feite valt de rede uiteen in vier redevoeringen, ieder voorafgegaan door een opschrift:

  1. Deuteronomium 1-4 (opschrift: 1:1-5)
  2. Deuteronomium 5-28 (opschrift 4:44)
  3. Deuteronomium 29-32 (opschrift 28:69)
  4. Deuteronomium 33 (opschrift 33:1)

Rond de opschriften worden ook handelingen van Mozes beschreven, vooral in Deuteronomium 31.

Eerste redevoering (hoofdstuk 1-4)

De redevoering begint met JHWHs bevel van de Horeb (de deuteronomistische benaming van de Sinaïberg) op te breken om het Beloofde Land in bezit te nemen.[11] De verovering mislukte omdat het volk weerspannig was[12] en leidde tot een ernstige nederlaag.[13] Als straf mocht deze ongehoorzame generatie, net als hun leider Mozes, het Beloofde Land niet innemen.[14] Pas de volgende generatie versloeg legendarische figuren als Sichon en Og, vermeed schermutselingen met de Edomieten, Moabieten en Ammonieten en veroverde het gebied ten oosten van de Jordaan.[15]

In het verhaal staat Mozes aan de grens met de Westelijke Jordaanoever, in de vallei tegenover Bet-Peor.[16] In Deuteronomium 4 en 5 verrast het verslag, want de gebeurtenissen rond de Horeb die volgen, gingen chronologisch vooraf aan de gebeurtenissen in Deuteronomium 1-3.

De sectie in 4:1-14 stelt met de terugblik (vers 3) bij de vrees voor God (vers 10) en het verbond het eerste gebod centraal. De blijvende indruk van de ontmoeting met God is het woord, niet de figuur (vers 12). De volgende passage in 4:15-28 grijpt terug naar de gebeurtenissen op de Horeb, vooral naar de onzichtbare vorm van God. Waar deze gedachte in vers 12 het contrast tussen de vorm en het woord van God diende, beklemtoont het hier het verbod op het maken van een beeld van God. In 4:29-40 komen de gebeurtenissen op de Horeb opnieuw in beeld, maar met een nieuw facet: de ontmoeting van God op deze berg bewijst het unieke karakter van God (vers 35).

Tweede redevoering (hoofdstuk 5-28)

De tweede toespraak vormt de hoofdmoot van het boek. De hoofdstukken 5-11 vormen een inleiding. Hierin worden de tien geboden herhaald, die God op de berg Sinaï gegeven heeft. In de hoofdstukken 12-28 volgt de wetsherhaling met instellingen die de Israëlieten in acht moeten nemen wanneer ze zich in het land Kanaän vestigen.
Deze tweede toespraak kan als volgt worden onderverdeeld:

  • de hoofdstukken 5-11 vormen een uiteenzetting van de tien geboden, waarop de theocratie gebaseerd was;
  • de hoofdstukken 12-28 bevatten bepalingen voor aanbidding, reinheid, belastingen, de drie jaarlijkse feesten, de handhaving van het recht, van koningen, priesters en profeten, oorlog, en het persoonlijke en sociale leven van de mensen. Deze bepalingen zijn eerder sociaal dan religieus.

Derde redevoering (hoofdstuk 29-32)

De derde redevoering bestaat voor een groot deel uit een beschrijving van de straffen die op het verlaten van de wet stonden, en van de zegeningen die het gevolg zijn van gehoorzaamheid. Mozes roept hen op gelovig het verbond dat God met hen gesloten had trouw te blijven. Het besluit met een lied dat God Mozes opgedragen had te schrijven (32:1-47) en het verhaal van zijn sterven (32:48-52).

Vierde redevoering (hoofdstuk 33)

De vierde redevoering bevat de zegeningen die Mozes uitsprak over elke stam.

Overige delen van Deuteronomium

In Deuteronomium 31 stelt Mozes Jozua aan als zijn opvolger om het volk het land Kanaän binnen te leiden. Hoofdstuk 34 beschrijft Mozes' begrafenis.

Thema

Deuteronomium beschrijft de maatstaf die op de Israëlieten wordt toegepast in Jozua tot en met 2 Koningen. De veelvuldig gebruikte strofe עשׂה הרע בעיני יהוה, "doen wat slecht is in de ogen van JHWH", is ontleend aan Deuteronomium 17:2 en betreft het overtreden van het eerste gebod. De straf ervoor is ballingschap. In de kleine en grote profeten wordt regelmatig teruggegrepen op dit thema van Deuteronomium, vooral in Jeremia.

De kwestie van culturele centralisatie was voorwaarde voor de unieke positie van Jeruzalem, hoewel de stad in Deuteronomium niet eens met name wordt genoemd. Voor slachtoffers was de vreugde van de deelnemers van het grootste belang. Specifiek priesterlijke expertise deelt Deuteronomium niet en het richt zich tot de "leken"-gemeenschap.[17]

Referenties
  1. Deuteronomium 31:1,9,22,24ff; vergelijk Exodus 25:16
  2. Jozua 8:31; 1 Koningen 2:3; 2 Koningen 14:6; 2 Kronieken 23:18; 25:4; 34:14; Ezra 3:2; 7:6; Nehemia 8:1; Daniël 9:11, 13
  3. Matteüs 19:7,8; Marcus 10:3,4; Johannes 5:46,47; Handelingen 3:22; 7:37; Romeinen 10:19
  4. Zie 2 Kronieken 34:3f
  5. G. Seitz (1971): Redaktionsgeschichtliche Studien zum Deuteronomium (BWANT 93), Stuttgart
  6. M. Rose (1994): 5. Mose (ZBK 5, 1,2), Zürich
  7. G. Braulik (1986, 1992): Deuteronomium (NEB 15, 28), Würzburg
  8. Deuteronomium 32:48
  9. Deuteronomium 34:5
  10. Zie Jozua 23, 24; 1 Samuel 12 en 1 Koningen 2 (zie vooral vers 3 en 4)
  11. Deuteronomium 1:6
  12. Deuteronomium 1:26f
  13. Deuteronomium 1:44
  14. Deuteronomium 1:35-39
  15. Deuteronomium 2-3
  16. Deuteronomium 3:29
  17. T. Veijola (2004): Das 5. Buch Mose. Deuteronomium (ATD 8,1), Göttingen
  1. Deuteronomium 31:1,9,22,24ff; vergelijk Exodus 25:16
  2. Jozua 8:31; 1 Koningen 2:3; 2 Koningen 14:6; 2 Kronieken 23:18; 25:4; 34:14; Ezra 3:2; 7:6; Nehemia 8:1; Daniël 9:11, 13
  3. Matteüs 19:7,8; Marcus 10:3,4; Johannes 5:46,47; Handelingen 3:22; 7:37; Romeinen 10:19
  4. Zie 2 Kronieken 34:3f
  5. G. Seitz (1971): Redaktionsgeschichtliche Studien zum Deuteronomium (BWANT 93), Stuttgart
  6. M. Rose (1994): 5. Mose (ZBK 5, 1,2), Zürich
  7. G. Braulik (1986, 1992): Deuteronomium (NEB 15, 28), Würzburg
  8. Deuteronomium 32:48
  9. Deuteronomium 34:5
  10. Zie Jozua 23, 24; 1 Samuel 12 en 1 Koningen 2 (zie vooral vers 3 en 4)
  11. Deuteronomium 1:6
  12. Deuteronomium 1:26f
  13. Deuteronomium 1:44
  14. Deuteronomium 1:35-39
  15. Deuteronomium 2-3
  16. Deuteronomium 3:29
  17. T. Veijola (2004): Das 5. Buch Mose. Deuteronomium (ATD 8,1), Göttingen
Bijbelboeken
Thora:Genesis · Exodus · Leviticus · Numeri · Deuteronomium
Jozua · Rechters · Ruth · 1 en 2 Samuel · 1 en 2 Koningen · 1 en 2 Kronieken · Ezra · Nehemia · Tobit · Judit · Ester · 1 Makkabeeën · 2 Makkabeeën
Job · Psalmen · Spreuken · Prediker · Hooglied · Wijsheid (van Salomo) · (Wijsheid van Jezus) Sirach
Grote profeten:Jesaja · Jeremia · Klaagliederen · Baruch · Ezechiël · Daniël
Kleine profeten:Hosea · Joël · Amos · Obadja · Jona · Micha · Nahum · Habakuk · Sefanja · Haggai · Zacharia · Maleachi
De deuterocanonieke boeken zijn cursief weergegeven.


Evangeliën:Matteüs · Marcus · Lucas · Johannes
Handelingen:Handelingen van de apostelen
Brieven van Paulus:Romeinen · 1 Korintiërs · 2 Korintiërs · Galaten · Efeziërs · Filippenzen · Kolossenzen · 1 Tessalonicenzen · 2 Tessalonicenzen · 1 Timoteüs · 2 Timoteüs · Titus · Filemon
Hebreeën
Katholieke brieven:Jakobus · 1 Petrus · 2 Petrus · 1 Johannes · 2 Johannes · 3 Johannes · Judas
Apocalyptiek:Openbaring van Johannes
Bikoeriem

Bikoeriem (Hebreeuws: ביכורים, letterlijk eerstelingen) is het elfde en tevens laatste traktaat (masechet) van de Orde Zeraïem (Seder Zeraïem) van de Misjna en de Talmoed. Het beslaat drie hoofdstukken (in sommige uitgaven vier).

Het traktaat behandelt de regels over het voorschrift uit de Thora de eerstelingen naar Jeruzalem te brengen en over het uitspreken daarbij van de voorgeschreven formule. De verplichting wordt in de Thora beschreven in Deuteronomium 26:1 en volgende.Bikoeriem bevat alleen Gemara (rabbijns commentaar op de Misjna) in de Jeruzalemse Talmoed, bestaande uit 13 folia en komt aldus in de Babylonische Talmoed niet voor.

Christendom en homoseksualiteit

De verhouding tussen christendom en homoseksualiteit wordt op verschillende wijze gestalte gegeven. Bijbelteksten en standpunten van de katholieke en protestantse geloofsrichtingen bieden een waaier van mogelijke houdingen. Veel traditionele christenen zien homoseksualiteit, als belevening van seksuele gerichtheid, niet als evenwaardig ten opzichte van heteroseksualiteit.

Deuteronomistische geschiedenis

De deuteronomistische geschiedenis is de theorie uit de Bijbelwetenschap dat de Bijbelboeken Jozua, Rechters, 1 en 2 Samuel en 1 en 2 Koningen samen één werk vormen en dat ze dezelfde theologische achtergrond hebben, die gebaseerd is op het boek Deuteronomium. De deuteronomistische geschiedenis zou het resultaat van een redactieproces dat eindigde in de 6e eeuw v.Chr. Deze theorie werd in 1943 geïntroduceerd door de Duitse Bijbelwetenschapper Martin Noth.

Dode Zee-rollen

De Dode Zee-rollen omvatten een collectie handschriften van meer dan 900 documenten, inclusief ruim 200 handschriften van de Hebreeuwse Bijbel, de Tenach (of het Oude Testament). Ze werden ontdekt tussen 1947 en 1956 in elf grotten in de buurt van de nederzetting van Qumran, een plaats op de Westelijke Jordaanoever aan de noordwestkust van de Dode Zee, ongeveer 12 kilometer ten zuiden van Jericho.

De tot 1956 gevonden documenten zijn geschreven in de Hebreeuwse, Aramese en Griekse taal. Ze dateren uit de periode ca. 250 vóór Christus tot ca. 50 na Christus. Waarschijnlijk zijn ze rond 68 na Chr. verstopt in de grotten.

Deze handschriften zijn erg belangrijk, omdat ze een van de weinige geschreven bronnen zijn betreffende de joodse cultuur van ruim 2000 jaar geleden. Ze werpen een nieuw licht op de politieke en religieuze context van die dagen. Ze zijn van groot belang voor het onderzoek naar de tekstoverlevering van het Oude Testament. Ook bieden zij een beeld van het tot dan toe vrijwel onbekende intertestamentaire tijdvak.

Het blijkt dat de beschikbare Bijbelse handschriften uit de 10e en 11e eeuw (de Masoretentekst) voor het merendeel vrij nauwkeurig aansluiten bij de Bijbelse handschriften die in Qumran zijn gevonden. Uit de rollen blijkt dat er buiten de Masoretische andere teksttradities bestonden zoals de Samaritaanse en de Griekse. Voor deze laatste dient verwezen naar de Septuaginta.

De meeste teksten zijn geschreven op perkament, sommige op papyrus en één op koper.

Esau

Esau of Ezau (Hebreeuws: עֵשָׂו, ‘eśāw), was volgens de Hebreeuwse Bijbel de tweelingbroer van Jakob en zoon van Isaak en Rebekka.

Habakuk (profeet)

Aan de profeet Habakuk (Hebreeuws: חֲבַקּוּק, Ḥavaqquq) wordt het gelijknamige boek Habakuk in de Bijbel toegeschreven dat het achtste is van de zogenoemde twaalf Kleine profeten. Aangezien het alleen levieten was toegestaan muziekinstrumenten te gebruiken in de tempel van Jeruzalem en Habakuk in het postscriptum vermeldt dat hij het slotlied "voor de koorleider op zijn instrumenten" speelde of bedoelde, nemen velen aan dat Habakuk een leviet moet zijn geweest.Het gegeven dat er zo weinig gegevens over Habakuk in de Bijbel zelf staan, was de voedingsbodem voor talloze overleveringen. Peiser betoogt dat Habakuk het pseudoniem is van een Judese prins die werd gegijzeld in Ninive en die ooggetuige was van de aanval van de Meden, in samenwerking met de Chaldeeën en Babyloniërs, in 625 v.Chr. Maar zijn boek noemt een tweede aanval. Deze prins zou de zoon of kleinzoon van Manasse kunnen zijn geweest. Peiser toont aan dat Habakuk opmerkelijk bekend was met Assyrische literatuur; de overeenkomsten wijzen zelfs op varianten op of zelfs citaten uit Assyrische mythologische geschriften. Anderen beschouwen Habakuk als een tijdgenoot van Jeremia en inwoner van Jeruzalem, ná de "ontdekking" van Deuteronomium (621 v.Chr.), maar vóór de dood van Josia (609 v.Chr.). Veel Joodse commentatoren plaatsen hem tijdens de regering van Manasse. Habakuk is echter duidelijk onder invloed van Jesaja en de zienswijze van Betteridge dat hij de jongere discipel was van de grotere profeet lijkt het meest recht te doen aan de inhoud van zijn boek.

Jozua (boek)

Jozua (Hebreeuws: יהושע) is het zesde boek van zowel de joodse Bijbel als de christelijke Bijbel.

Hoofdpersoon van het boek is Jozua en naar hem is het boek ook genoemd. Jozua is de leider van de Israëlieten en de opvolger van Mozes. Onder zijn leiding trekt het Israëlitische volk het land Kanaän binnen om dat te veroveren.

Maäseer Sjeni

Maäseer Sjeni (Hebreeuws: מעשר שני, letterlijk tweede tiende) is het achtste traktaat (masechet) van de Orde Zeraïem (Seder Zeraïem) van de Misjna en de Talmoed. Het beslaat vijf hoofdstukken.

Het traktaat behandelt het afzonderen van tienden van de landbouwproducten om deze naar Jeruzalem te krijgen. De verplichting staat in de Thora beschreven in Deuteronomium 14:22 en volgende.Maäseer Sjeni bevat alleen Gemara (rabbijns commentaar op de Misjna) in de Jeruzalemse Talmoed, bestaande uit 33 folia en komt aldus in de Babylonische Talmoed niet voor.

Mezoeza

Mezoeza (letterlijk: deurpost in het Hebreeuws) is een tekstkokertje dat volgens traditioneel Joods gebruik op deurposten wordt aangebracht. Het bevat de hieronder vermelde teksten uit Deuteronomium (Dewariem). Bij het aanbrengen ("aanslaan") van de mezoeza wordt de volgende zegen uitgesproken: Baruch atah adonai eloheinu melech ha'olam asher kid'shanu b'mitzvotav v'tzivanu likbo'a m'zuzah. Gezegend zijt gij Heer onze God, Koning van het heelal, die ons heiligde met zijn mitzvot (613 geboden en verboden uit de Thora) en ons de mezoeza op de deurposten liet schrijven.

De woorden worden met de hand met onuitwisbare inkt op een strook perkament geschreven. Op de achterzijde schrijft men Sjaddai, een van de Bijbelse namen van God. Het perkament wordt dan opgerold zodat de eerste letter van Sjaddai (de letter shin ש) zichtbaar wordt. Meestal staat de letter shin ook op het kokertje waarin het perkament geschoven wordt. De mezoeza vindt men rechts op alle deurposten die leiden naar de woon-, werk-, en slaapkamers, het hek en de synagoge. Ook aan de deurposten van bedrijven kan hij geplaatst worden.

Het is gebruik van vele joden om bij binnenkomst van het vertrek waar een mezoeza is aangebracht de mezoeza aan te raken en vervolgens de vingers naar de lippen te brengen. De mezoeza wordt altijd op een rechterdeurpost aangebracht, in elk geval alle buitendeuren, en deuren die leiden naar woonkamers, werkvertrekken en slaapkamers.

Mozes

Mozes (Hebreeuws: מֹשֶׁה Mosje, Oudgrieks: Μωυσῆς Mōysēs of Μωσῆς Mōsēs, Latijn: Moyses of Moses, Arabisch: موسى Moesa) was volgens de Tenach de grootste profeet. De Hebreeuwse Bijbel beschrijft hem als de leider van de Israëlieten bij de uittocht uit Egypte en tijdens de doortocht door de woestijn tot aan de grenzen van Kanaän. Traditioneel worden aan Mozes ook de eerste vijf Bijbelboeken toegeschreven (de Thora), waardoor de gehele wetgeving van Israël door zijn autoriteit werd geschraagd. Ook Psalm 90 wordt aan Mozes toegeschreven.

Volgens de Koran is Mozes een boodschapper en profeet.

Numeri

Numeri (Latijn: "getallen", naar de Griekse benaming in de Septuagint: Ἀριθμοί, arithmoi, "tellingen") is het vierde boek van de Hebreeuwse Bijbel. In het Hebreeuws wordt het במדבר, bəmidbar, "in de wildernis" genoemd, naar wat in de Hebreeuwse versie het eerste woord van het boek is. Het behandelt de gebeurtenissen van de Israëlieten gedurende hun verblijf van 40 jaar in de woestijn.

Pea (rabbijnse literatuur)

Pea (Hebreeuws: פאה, letterlijk hoek) is het tweede traktaat (masechet) van de Orde Zeraïem (Seder Zeraïem) van de Misjna en de Talmoed. Het bestaat uit acht hoofdstukken.

Het traktaat Pea bevat voorschriften inzake de verplichting een hoek over te laten bij het oogsten ten behoeve van de armen en verwante voorschriften. De Thora benoemt deze voorschriften in Leviticus 19:9 en verder en Deuteronomium 24:19 e.v.

Pea bevat alleen Gemara (rabbijns commentaar op de Misjna) in de Jeruzalemse Talmoed, bestaande uit 37 folia en komt aldus in de Babylonische Talmoed niet voor.

Sjeviiet

Sjeviiet of Sjevie'iet (Hebreeuws: שביעית, letterlijk Het zevende jaar) is het vijfde traktaat (masechet) van de Orde Zeraïem (Seder Zeraïem) van de Misjna en de Talmoed. Het beslaat tien hoofdstukken.

Het traktaat bevat regels inzake de verplichting het land braak te laten liggen en de verplichting schulden kwijt te schelden. De verplichting staat omschreven in Exodus 23:11, Leviticus 25:1 vv. en tot slot Deuteronomium 15:1 en verder.Sjeviiet bevat alleen Gemara (rabbijns commentaar op de Misjna) in de Jeruzalemse Talmoed, bestaande uit 31 folia en komt aldus in de Babylonische Talmoed niet voor.

Susanna (Daniël)

Susanna is een vrouw uit een deuterocanoniek (apocrief) gedeelte van het boek Daniël dat dan ook wordt gerekend tot de Toevoegingen bij Daniël. Haar kerkelijke feestdag is op 19 december.

Volgens het Bijbelverhaal nam Susanna, de dochter van Chelkia en getrouwd met Joakim (Joachim), een zeer rijk man, een bad in de beslotenheid van haar tuin. Zij realiseerde zich echter niet dat twee oude mannen ('ouderlingen') haar bespiedden. De mannen probeerden haar te verleiden, maar Susanna bood verzet. Uit wraak beschuldigden de mannen haar van overspel waarvoor ze de doodstraf kon krijgen.

De profeet Daniël vermoedde dat er iets niet klopte en besloot de twee getuigen apart van elkaar te ondervragen. Uit de verschillen in de getuigenissen werd het bewijs geleverd van Susanna's onschuld. Haar belagers werden ter dood gebracht, de straf die ze Susanna hadden toebedacht, zoals voorgeschreven in Deuteronomium 19:18-19.

Tefilin

Tefilin, tefillien (Hebreeuws: תפילין, afgeleid van tefiela, gebed) of tefillen (Nederlands-Jiddisch/Asjkenazische uitspraak) of gebedsriemen zijn in het jodendom leren riemen met daaraan zwarte doosjes die bij het Joodse ochtendgebed op werkdagen worden gedragen. In de doosjes zitten teksten uit de Thora. Tijdens de sjabbat en tijdens feestdagen worden de riemen niet gebruikt, omdat tijdens die speciale dagen er op andere manieren wordt getuigd van de verheven gedachten. Tefilin worden ook wel fylacteria genoemd.

Op doordeweekse dagen worden de gebedsriemen gedragen bij het ochtendgebed (sjachariet). De gebedsriemen bestaan uit een hoofdstel (Hebreeuws tefillien shel rosh) en een gedeelte om de arm en hand (Hebreeuws tefillien shel jad).

De zwarte lederen doosjes (Hebreeuws bajit, meerv. batim; huis, huizen) bevatten op perkament geschreven tekstfragmenten:

Exodus 13:1-10;

Exodus 13:11-16;

Deuteronomium 6: 4-9, met het Sjema, waarvan de tweede regel luidt: Je moet houden van de Eeuwige je God met heel je hart, heel je ziel en heel je vermogen.

Deuteronomium 11: 13-21Conform de tweede regel van het Sjema worden de doosjes aangebracht op de bovenarm (dicht bij het hart, zetel van het gevoel), op het hoofd (zetel van de ziel) en de hand (als aanduiding van kracht). De doosjes worden bevestigd met behulp van de leren riemen. De riem om bovenarm en hand wordt zeven maal om de arm gewikkeld en dan om de hand geslagen. Op deze manier vormt de riem de letter Sjin uit het Hebreeuwse alfabet. Deze verwijst naar het begrip Sjaddai'', de almachtigheid van God. Mensen die rechtshandig zijn dragen de voor de hand bestemde tefilin aan de linkerarm, linkshandigen aan de rechterarm.

Volgens de traditie dragen alleen mannen ouder dan 13 jaar, die Bar mitswa gedaan hebben, gebedsriemen. In sommige liberale gemeenten zijn er ook vrouwen die dat doen.

De oorsprong van het gebruik om gebedsriemen te dragen wordt gevonden in de Thora in Deuteronomium 6:8, 11:18 en Exodus 13:9,16. In deze passages worden de regels weinig gedetailleerd beschreven. De verdere ontwikkeling van deze traditie is gebaseerd op de mondelinge overlevering en beschreven in de Talmoed.

Teroemot

Teroemot (Hebreeuws: תרומות, letterlijk heffingen) is het zesde traktaat (masechet) van de Orde Zeraïem (Seder Zeraïem) van de Misjna en de Talmoed. Het beslaat elf hoofdstukken.

Het traktaat behandelt de heffingen die men verplicht was aan de kohaniem (priesters) af te staan. De verplichting wordt in de Thora beschreven in Numeri 18:8 en volgende en Deuteronomium 18:4.Teroemot bevat alleen Gemara (rabbijns commentaar op de Misjna) in de Jeruzalemse Talmoed, bestaande uit 59 folia en komt aldus in de Babylonische Talmoed niet voor.

Tien geboden

Met de tien geboden (Hebreeuws:, עשרת הדברים asèrèt hadewariem, "tien woorden" of "tien uitspraken") of dekaloog (Oudgrieks: οἱ δέκα λόγοι, hoi déka lógoi, "de tien woorden") worden de leefregels aangeduid die in de Hebreeuwse Bijbel volgens het jodendom door God via Mozes aan de mensen gegeven zijn. Deze leefregels hebben ook invloed gekregen op samenlevingen waarin een abrahamistische religie dominant werd.

De uitdrukking "de tien geboden" werd voor het eerst gebruikt door Ireneüs en Ptolemaeus Gnosticus onder verwijzing naar de vertaling in de Septuagint van Deuteronomium 10:4. Soms wordt ook de aanduiding "de stenen tafelen", "de tafelen der Wet", "Wet des He(e)ren", "De getuigenis" of "De tafelen der Getuigenis" gebruikt.

Uittocht uit Egypte

De uittocht uit Egypte (Hebreeuws: יציאת מצרים, Jetsi'at Mitzrajiem) of exodus (Grieks: ἔξοδος; exodos, "weg uit") is het verhaal uit de Hebreeuwse Bijbel over het vertrek van de Israëlieten uit het oude Egypte. In de strikte betekenis van het woord heeft de term alleen betrekking op het vertrek uit Egypte zoals beschreven in Exodus; in bredere zin heeft de term ook betrekking op het ronddolen in de woestijn tussen Egypte en Kanaän, de periode waarin Mozes Gods wetten gaf, zoals beschreven in Leviticus, Numeri en Deuteronomium.

Tegenwoordig neemt men veelal aan dat het uitgebreide verhaal gevormd is tijdens of na de Babylonische ballingschap (6e, 5e eeuw v.Chr.), maar dat de kern van het verhaal ouder is; er zijn al sporen van in de 8e en 7e eeuw v.Chr., in de tekst van de Deuteronomist (de boeken van Deuteronomium tot en met 2 Koningen). Sommige geleerden nemen echter aan dat de bronnen nog ouder zijn en dat er daadwerkelijk herinneringen bewaard zijn gebleven aan het ineenstorten van de beschaving van de bronstijd in de 13e eeuw voor Christus.

Uria (persoon)

Uria (Hebreeuws: אוריה החתי; Mijn licht is Jahweh) is een persoon uit de Bijbel. Hij was een Hethiet en een soldaat in het leger van Koning David.Toen Uria in de veldslag bij Rabba tegen het volk Ammon streed, maakte David Batseba, de vrouw van Uria zwanger. David wilde zijn daad verdoezelen door Uria van de strijd terug te roepen en hem bij Batseba te laten slapen. Uria weigerde echter, aangezien de strijd nog niet afgelopen was en hij daarom niet onrein mocht raken, volgens het gebod in Deuteronomium:

Wanneer er onder u iemand is die niet rein is door iets wat 's nachts per ongeluk is gebeurd, dan moet hij buiten het kamp gaan. Hij mag niet binnen het kamp komen.Ook nadat David Uria dronken voerde, weigerde Uria om thuis te slapen. Door zijn voornemen dit gebod te gehoorzamen en het feit dat hij met een jodin getrouwd was, is het mogelijk dat Uria een proseliet was.

David stuurde Uria naar het front terug en beval Joab, zijn legeraanvoerder, om Uria vooraan in de linies te plaatsen. Uria stierf hierop in de strijd. De profeet Nathan bekritiseerde David, waarop David berouw had van zijn daden, maar ontliep zijn straf niet: het kind dat hij bij Batseba had verwekt, stierf kort na de bevalling.

In andere talen

This page is based on a Wikipedia article written by authors (here).
Text is available under the CC BY-SA 3.0 license; additional terms may apply.
Images, videos and audio are available under their respective licenses.