David Ricardo

David Ricardo (Londen, 19 april 1772 – Gatcombe Park, 11 september 1823) was een Brits econoom. Hij wordt gezien als een van de eerste systeembouwers in de economie. Met Adam Smith en Thomas Malthus behoort hij tot de invloedrijkste klassieke economen.[1][2]

Ricardo was een veelzijdig man die thuis was in de financiële, wetenschappelijke en politieke wereld van zijn tijd. Hij was achtereenvolgens effectenhandelaar, financier en speculant. Als speculant vergaarde hij een aanzienlijk fortuin, waardoor hij in staat was een groot landhuis te kopen en op te houden met werken. De laatste vier jaar van zijn leven was hij lid van het Britse Lagerhuis.

Zijn grote kracht ligt in zijn strikte betoogtrant en het consequent gebruik van abstracties. Zijn deductieve methode, waarmee de verbanden tussen economische grootheden onder sterk vereenvoudigde veronderstellingen onderzocht worden, neemt sinds Ricardo een centrale plaats in de economische wetenschap in.

Misschien zijn belangrijkste bijdrage aan de economische wetenschap was de wet van het comparatieve voordeel, een fundamenteel argument ten gunste van vrijhandel tussen landen. Ricardo voerde aan dat handel (of ruil) voor beide betrokken partijen voordelig was, zelfs als de ene partij (bijvoorbeeld een grondstofrijk land) op elk gebied productiever was dan zijn handelspartner (bijvoorbeeld een grondstofarm land), zolang beide partijen zich maar concentreerden op die activiteiten waar zij een relatief productiviteitsvoordeel bezaten.[3]

David Ricardo
David Ricardo voor 1823

Biografie

Ricardo - Opere, 1852 - 5181784
Works, 1852

Jeugdjaren

David Ricardo werd op 19 april 1772 in Londen geboren als derde kind van Abraham Ricardo (1738-1812) en Abigail Delvalle. Rond 1650 waren zijn voorouders, Sefardische Joden, conversos of schijn-christenen, uit Spanje via Livorno naar Amsterdam geëmigreerd, waar zij hun Joodse geloof openlijk mochten belijden. Daar werd zijn grootvader Joseph Israel Ricardo in 1699 geboren. Zijn vader, Abraham Ricardo, vertrok in 1760 naar Londen, waar hij in 1769 trouwde met Davids moeder, Abigail.

Zijn vader stuurde hem in 1783 op 11-jarige leeftijd terug naar Nederland om er Nederlands, Frans en Spaans te leren, maar naar eigen zeggen was hij zo ongelukkig van zijn familie gescheiden te zijn, dat hij er alleen Nederlands leerde. Op zijn 13de teruggekeerd in Londen kreeg Ricardo privélessen en een gewone schoolopleiding.

Werk op de Beurs

Op zijn veertiende begon hij in het beursbedrijf van zijn vader op de London Stock Exchange. Daar leerde hij de financiële wereld kennen, de basis voor zijn succes op de beurs en in de wereld van het vastgoed. Op zijn 21ste verwierp Ricardo het orthodoxe jodendom van zijn familie en trouwde met Priscilla Anne Wilkinson, die als Quaker was opgevoed. Zijn vader en moeder namen dit niet goed op en spraken nooit meer met hem. In deze tijd werd Ricardo ook een aanhanger van het utilitarisme. In de twintig jaar daarna was hij werkzaam als zakenman, financier en speculant en bouwde hij een aanzienlijk vermogen op.

Economie

Ricardo raakte geïnteresseerd in de economie, nadat hij in 1799 Adam Smiths The Wealth of Nations had gelezen, toen hij op vakantie was in de Engelse toeristenplaats Bath. Dit was Ricardo's eerste contact met de economische wetenschap. In 1809 begon hij zelf te publiceren.

Politiek

Ricardo's werk aan de Londense beurs zorgde ervoor dat hij in 1814 met vervroegd pensioen kon gaan. Hij kocht het buiten Gatcombe Park in Gloucestershire om zich van daaruit aan de politiek en economie te kunnen wijden. In 1819 nam Ricardo plaats in de Lagerhuis als parlementslid voor Portarlington, een Ierse rotten borough. Hij hield deze zetel tot hij in 1823 aan de gevolgen van een middenoorontsteking overleed. In 1846 ijverde zijn neef John Lewis Ricardo, parlementslid voor Stoke-on-Trent, voor vrijhandel en de afschaffing van de Graanwetten.

Vrienden

Ricardo raakte rond 1810 nauw bevriend met James Mill, die zijn politieke ambities en zijn publicaties over de economie aanmoedigde. Andere bekende vrienden waren Jeremy Bentham en Thomas Malthus, met wie Ricardo (in correspondentie) een uitgebreid debat voerde over zaken als de rol die landeigenaars in de Britse maatschappij dienen te spelen. Hij was ook lid van de 'London's intellectuals' en werd later ook lid van Malthus 'Political Economy Club' en de 'King of Clubs'.

Comparatieve kostenverschillen en vrijhandel

Ricardo's bekendste werk is zijn On the Principles of Political Economy and Taxation uit 1817. Het boek geeft onder andere een verklaring voor de internationale handel aan de hand van de theorie van het comparatief voordeel. Ricardo zet zich daarbij af tegen de theorie van de absolute kostenverschillen van Adam Smith door te betogen dat het niet om de absolute, maar om de relatieve kostenverschillen gaat. Volgens Ricardo's theorie kan een land altijd voordeel plukken uit specialisatie. Een land is altijd beter af door zich te specialiseren in die producten, waar men het beste in is en daarin handel te drijven met andere landen (Case & Fair, 1999: 812–818).

Ricardo illustreert zijn theorie met een fictief voorbeeld aangaande de handel tussen Engeland en Portugal.[4] De volgende tabel geeft prijzen (in arbeidseenheden) voor eenheden wijn en textiel die gelijke waarde hebben in het internationaal verkeer.

Engeland Portugal totaal
textiel 100 arbeidseenheden 90 arbeidseenheden 190 arbeidseenheden
wijn 120 arbeidseenheden 80 arbeidseenheden 200 arbeidseenheden
totaal 220 arbeidseenheden 170 arbeidseenheden 390 arbeidseenheden

Hoewel Portugal een absoluut voordeel in beide waren heeft, is het voor Portugal niettemin voordelig om textiel te importeren, omdat de vrijgekomen arbeidskracht dan ingezet kan worden voor de wijnbouw, die productiever is dan zijn textielindustrie. Terwijl Portugal zich specialiseert in wijn, doet Engeland hetzelfde met textiel en drijven de beide landen handel tot wederzijds voordeel. Ricardo betoogt, op basis van de kwantiteitstheorie, dat dit ruilhandelvoorbeeld ook werkt als handel gedreven wordt in geld door individuele handelaren: dan zorgt de toestroom van geld van importeur naar exporteur voor inflatie bij de exporteur, net zolang tot een situatie van evenwicht optreedt.

Een variant van Ricardo's theorie van comparatief voordeel, het Heckscher-Ohlinmodel, is nog altijd een belangrijk onderdeel van de handelstheorie.

Ricardo's waardentheorie van de productiekosten

Natuurlijke prijs

Ricardo begint het eerste hoofdstuk van zijn On the Principles of Political Economy and Taxation met een uiteenzetting over de theorie van de waarde van arbeid. Later toont hij aan dat de prijs van arbeid, het loon, niet overeenkomt met zijn waarde. Hij zag deze theorie als een benadering van de werkelijkheid en werkte tot aan het einde van zijn leven aan zijn waardetheorie. Ricardo gelooft dat de prijs van een product op lange termijn de productiekosten van dit product zal weerspiegelen.

Hij noemt deze lange termijn prijs de 'natuurlijke prijs'. De natuurlijke prijs van arbeid is in Ricardo's waardetheorie dus gelijk aan de kosten van de productie van een nieuwe arbeider, het minimale loon, waarbij een arbeider zich nog kan voortplanten. Dit bestaansminimumniveau (Engels: subsistence level) lag in Ricardo's tijd overigens zeer laag en is niet vergelijkbaar met het huidige bestaansminimum. Mensen die dit minimumniveau gedurende langere tijd niet haalden stierven vaak (indirect) aan ondervoeding. Als de lonen dus de natuurlijke prijs van arbeid weergeven, zullen de lonen op het bestaansminimumniveau liggen. Ricardo stelt echter ook dat in tijden van een langdurig aantrekkende economie de lonen voor onbepaalde tijd boven dit bestaansminimum kunnen liggen:

Aanhalingsteken openen

Ondanks de tendens van de lonen om zich te conformeren aan hun natuurlijk voet, kan de marktvoet, in een economisch bloeiende maatschappij, voor een onbepaalde tijd constant boven deze natuurlijke voet liggen. Want wanneer de impuls, die een toename in het kapitaal geeft aan de vraag naar arbeid, is uitgewerkt, zal een volgende toename van het kapitaal hetzelfde effect produceren. Als de toename van het kapitaal gradueel en constant is, zal de vraag naar arbeid een continue stimulus zijn voor een toename van de bevolking....
Men heeft berekend dat de bevolking van een land onder gunstige omstandigheden in 25 jaar kan verdubbelen, maar onder dezelfde gunstige omstandigheden kan het hele kapitaal van hetzelfde land in nog minder dan 25 jaar verdubbelen. In dat geval zullen de lonen gedurende deze hele 25 jaar de neiging hebben te stijgen, omdat de vraag naar arbeid sneller stijgt dan het aanbod, On the Principles of Political Economy ('Over de basisbeginselen van de Politieke Economie'), hoofdstuk 5, "On Wages") ('Over de lonen').

Aanhalingsteken sluiten

In zijn Theory of Profit ('Theorie van de winst'), merkt Ricardo op dat als de reële lonen stijgen, de reële winsten zullen dalen, omdat de opbrengsten van de verkoop van manufacturen verdeeld worden tussen de winsten en de lonen. Hij zegt in zijn Essay on Profits (Opstel over winsten), "Winsten hangen af van de hoogte van de lonen, de lonen van de prijs van noodzakelijke goederen, en de prijs van de noodzakelijke goederen hangen op hun beurt voornamelijk af van de voedselprijzen".

Tegen de Graanwetten

Ricardo geloofde in vrije loonsvorming en net als Adam Smith was hij een tegenstander van protectionisme. Hij was tegen tarieven op landbouwproducten, zoals deze in 1815 waren ingevoerd met de graanwetten (Engels: 'Corn laws'). Hij was van mening dat deze graanwetten er voor zouden zorgen dat er in Groot-Brittannië zelf minder productief land in productie zou worden genomen en dat de 'pachten' op land zouden stijgen. Daardoor zou het economisch surplus relatief meer ten goede komen aan de, veelal adellijke grootgrondbezitters en minder aan de opkomende industriële kapitalisten. Aangezien grootgrondbezitters meer geneigd waren tot consumptie van luxegoederen dan tot investeren, dacht Ricardo dat de graanwetten tot economische stagnatie zouden leiden, waardoor de lonen onder het bestaansminimum zouden dalen. Mede onder invloed van deze diagnose zou het Britse parlement de graanwetten in 1846 afschaffen.

Renten en grondrenten

Ricardo is verantwoordelijk voor het ontwikkelen van theorieën over grondrenten, lonen en winsten. Hij definieerde grondrente als "het verschil tussen de opbrengst verkregen uit het inzetten van twee gelijke hoeveelheden kapitaal en arbeid." Het model voor deze theorie beweert dat wanneer er slechts een soort grond onder cultivatie wordt gebracht, er zich geen grondrente zal ontwikkelen, maar wanneer er meerdere typen van gronden in gebruik zijn, er altijd grondrente voor de vruchtbaardere gronden betaald zal moeten worden. Hoe vruchtbaarder de grond, hoe hoger deze grondrente. Ricardo was van mening dat het proces van economische ontwikkeling de benuttingsgraad van het beschikbare land zou doen stijgen, totdat uiteindelijk tot de cultivatie van steeds armere gronden zou moeten worden overgegaan. Hiervan zouden in de eerste plaats de landeigenaren profiteren, dit omdat de extra grondrentes, hetzij in geld, hetzij in natura, uit de aard van de zaak aan hen zouden toevallen.

In een zorgvuldige analyse van de effecten van verschillende vormen van belasting concludeerde Ricardo in de hoofdstukken 10 en 12, dat een grondbelasting op de waarde van land, die gelijkwaardig was een belasting op grondrente, de enige vorm van belasting was, die niet tot prijsstijgingen zou leiden, maar zou worden betaald door de landeigenaren, die niet in staat zouden blijken om deze belastingverhoging af te wenden op hun pachters. Hij stelde dat voor de armste gronden geen grondrente gevraagd kon worden en dat er daarom ook geen grondbelasting over geheven zou kunnen worden; aangezien juist op deze marginale gronden de prijzen voor de gehele economie werden bepaald, zouden de prijzen er niet worden verhoogd door een grondbelasting. Ricardo's analyse maakt een onderscheid tussen grondrente op (niet verbeterde) gronden en de rente, die wordt geassocieerd met kapitaalverbeteringen, zoals gebouwen.

Voetnoten

  1. Sowell, Thomas (2006). On classical economics. New Haven, CT: Yale University Press.
  2. David Ricardo op www.policonomics.com
  3. Paul Craig Roberts, The Trade Question', Washington Times, 28 augustus 2003
  4. Principles, editie van 1821, hoofdstuk 7.

Externe links

Wikisource Bronnen betreffende dit onderwerp zijn te vinden op pagina Author:David Ricardo van de Engelstalige Wikisource.
11 september

11 september is de 254ste dag van het jaar (255ste dag in een schrikkeljaar) in de gregoriaanse kalender. Hierna volgen nog 111 dagen tot het einde van het jaar.

Sinds 2001 wordt met 11 september, met name in de Verenigde Staten, vaak aan de terroristische aanslagen op 11 september 2001 gerefereerd. Een andere aanduiding is 9/11 of nine eleven (in de Verenigde Staten wordt in het dagelijks taalgebruik eerst de maand en dan de dag genoemd).

In andere landen wordt de datum gebruikt ter aanduiding van andere historische gebeurtenissen. In Chili is El once de septiembre of El once ("de elfde") de datum van de staatsgreep die Augusto Pinochet in 1973 aan de macht bracht.

Arbeid (economie)

Arbeid is het verrichten van bezigheden die nut hebben voor diegene die de arbeid verricht, voor zijn of haar naaste omgeving en/of voor de maatschappij als geheel. Deze ruime definitie is van de socioloog Mok, maar er zijn ook beperktere waarin betaling voor de activiteit als voorwaarde wordt gesteld. Onbetaalde arbeid (zoals Work First of vrijwilligerswerk) wordt daarbij dus niet als arbeid gezien. In ruimere zin kan echter onderscheid worden gemaakt tussen betaalde en onbetaalde arbeid en formele en informele arbeid. Informele arbeid wordt niet geregistreerd door overheidsinstanties en er wordt geen belasting afgedragen.

Door de monetarisering van de middeleeuwse economie werd naast zelfstandige beroepsarbeid ook in toenemende mate loonarbeid mogelijk. Vooral de industrialisatie heeft hiertoe bijgedragen. Deze bracht niet alleen veranderingen in het productieproces door mechanisatie, maar ook in de productieorganisatie zoals de invoering van het fabriekssysteem. Hierdoor ontstond uiteindelijk het moderne arbeidsbestel.

In de economische wetenschap is arbeid een van de productiefactoren. Alle productie is vanaf de vroegste tijden verbonden met menselijke arbeid. Vandaar dat "arbeid" een zogenaamde oorspronkelijke productiefactor wordt genoemd, net zoals "land", maar in tegenstelling tot "kapitaal", dat een afgeleide productiefactor is. Arbeid omvat zowel lichamelijke als geestelijke menselijke werkzaamheid, gericht op het voortbrengen van goederen en het verwerven van inkomen.

Bedrijfseconomie

Bedrijfseconomie is de wetenschap die de handel in goederen en diensten door ondernemingen en de financiële kant van de onderneming bestudeert. Het is het raakvlak tussen bedrijfskunde en economie. Bedrijfseconomie is de economische kant van de bedrijfskunde en/of de bedrijfskundige kant van de economie.

Economie

Economie (uit het Griekse oikos (οἶκος), huis en nomos (νόμος), regel; letterlijk dus huishoudkunde) is een wetenschap die zich bezighoudt met de menselijke behoeftebevrediging. De economie bestudeert keuzes die mensen maken bij de productie, consumptie en distributie van schaarse goederen en diensten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen macro-economie, waar vragen naar voren komen over de nationale en wereldwijde economie, zoals werkloosheid, inflatie en rentestanden, meso-economie en micro-economie, over het gedrag van bedrijven en consumenten. Algemene economie kan worden opgesplitst in de vakgebieden commerciële economie of marketing en bedrijfseconomie.

In Nederland wordt economie onder de sociale wetenschappen gerekend, in Vlaanderen onder de gedragswetenschappen. Analoog aan deze wetenschappen houdt de economische wetenschap zich niet alleen bezig met beschrijvende uitspraken, oftewel hoe de economie werkt, maar in de politieke economie ook met normatieve uitspraken, oftewel wat gewenste situaties zijn.

Econoom

Een econoom of econome is iemand die zich bezighoudt met de wetenschap economie of deze toepast.

Economen en econometristen zijn op allerlei terreinen werkzaam. In de eerste plaats zijn verschillende economen werkzaam in het onderwijs en onderzoek. Anderen zijn werkzaam bij de overheden (ministeries; gemeenten en provincies). Veel economen zijn ook actief in het adviesvak. Ten slotte zijn er ook economen werkzaam in bedrijven.

Economen verdiepen zich in schaarste. Vaak houden ze zich bezig met het analyseren van financiële stromen.

Grondwaardebelasting

Een grondwaardebelasting of grondbelasting is een heffing op de onverharde waarde van de grond. In tegenstelling tot onroerendgoedbelasting, gaat het voorbij aan de waarde van gebouwen, persoonlijke eigendommen en andere verbeteringen aan onroerend goed. Een grondwaardebelasting wordt over het algemeen door economen gesteund doordat het (in tegenstelling tot andere belastingen), geen economische inefficiëntie veroorzaakt en het de neiging heeft de ongelijkheid te verminderen.Landbelasting wordt "de perfecte belasting" genoemd en de economische efficiëntie van een grondbelasting is sinds de achttiende eeuw bekend. Veel economen sinds Adam Smith en David Ricardo hebben gepleit voor deze belasting, maar deze wordt het meest geassocieerd met Henry George, die argumenteerde dat omdat de hoeveelheid land onveranderlijk is en de locatiewaarde wordt gecreëerd door gemeenschappen en openbare werken, de economische winst van land de meest logische bron van overheidsinkomsten is.Een grondwaardebelasting is een progressieve belasting, omdat de hoeveelheid (of de waarde aan) land die iemand bezit, sterk gecorreleerd is aan het algemene vermogen en inkomen van die persoon. Een grondbelasting wordt momenteel toegepast in Denemarken, Estland, Litouwen, Singapore, en Taiwan; het wordt ook op kleinere schaal toegepast in subregio's van Australië, Mexico (Mexicali) en de Verenigde Staten (bv. Pennsylvania).

Handel (economie)

Handel is het uitwisselen van producten tussen twee partijen tegen directe of uitgestelde betaling. Bij ruilhandel worden goederen tegen elkaar geruild, maar dit kan ook door gebruik te maken van geld of krediet. Als er geen sprake is van betaling, dan is de uitwisseling geen handel, maar een gift als het product vrijwillig wordt uitgewisseld, of diefstal als het product zonder toestemming wordt toegeëigend.

Doordat in de 20e eeuw het vervoer van goederen veel eenvoudiger en goedkoper is geworden, is de internationale handel steeds belangrijker geworden. Dit is een belangrijke vorm van globalisatie.

In veel landen wordt handel belast: handelaren die aan een transactie geld verdienen moeten een percentage van de meerwaarde afdragen aan de staat (btw).

De term handelsgeest duidt op vindingrijkheid, creativiteit en de gedrevenheid om met handel geld te verdienen.

Henry George (econoom)

Henry George (Philadelphia, 2 september 1839 – New York, 29 oktober 1897) was een Amerikaans politiek econoom. George is vooral bekend om zijn kritiek op particuliere grondeigendom.

George werd in Philadelphia in de Verenigde Staten geboren. Na de lagere school monsterde hij aan als scheepsjongen en maakte een reis om de wereld, waarbij hij onder meer Europa en Australië bezocht. Hij werkte als drukker, zeeman, goudzoeker, winkelbediende, weger, journalist en als inspecteur van gasmeters, veelal in San Francisco. Hoewel hij aan den lijve ondervond wat armoede is, werd hij pas bij een bezoek aan New York in 1869 gegrepen door het raadsel van gelijktijdig toenemende rijkdom en armoede. Hij nam zich toen ernstig voor de oorzaak te vinden van de groeiende kloof tussen rijk en arm. In zijn vrije tijd las hij de werken van zijn grote voorgangers Adam Smith, David Ricardo, John Stuart Mill en anderen. In 1879 voltooide hij Progress and Poverty, met als ondertitel 'Een onderzoek naar de oorzaken van economische depressies en het toenemen van armoede met het toenemen van rijkdom'. Het boek werd een ware bestseller; het werd in zeer veel talen vertaald, en in de 25 jaar na het verschijnen werden meer dan twee miljoen exemplaren verkocht. George werd beroemd en populair, maar kreeg ook veel kritiek van tegenstanders. Karl Marx viel hem scherp aan, omdat hij diens ideeën over een tegenstelling tussen kapitaal en arbeid ontkende. George hield vol, schreef nog een aantal andere boeken en stierf in 1897, midden in een verkiezingscampagne voor het burgemeesterschap van New York, waarvoor hij kandidaat was gesteld.

Internationale economie

Internationale economie is een deelterrein van de economie en heeft drie hoofdonderwerpen: internationale handel, monetaire theorie en internationaal kapitaalverkeer.

Internationale handel is de studie van de uitwisseling van goederen en diensten over internationale grenzen.

Monetaire theorie is de studie van het monetaire systeem en diens invloed op productie, werkgelegenheid en het prijzenniveau.

Internationaal kapitaalverkeer is de studie van internationale financiële markten en het verkeer van geld.

Klassieke economie

De klassieke economie is een economische school die opkwam in de achttiende eeuw en gedurende een groot deel van de negentiende eeuw de dominante stroming was binnen de economische wetenschap (toen nog politieke economie genoemd).

Met de opkomst van de klassieke economie werd economie voor het eerst een zelfstandig wetenschapsgebied. De ideeën van de klassieken komen grotendeels overeen met het economisch liberalisme en gaan uit van het vermogen van vrije markten om zichzelf te reguleren. Hiermee reageerden zij op de eerdere mercantilisten en de fysiocraten.

De precieze afbakening van de klassieke economie ligt niet vast, maar als belangrijkste vertegenwoordigers gelden doorgaans Adam Smith en David Ricardo.

Michio Morishima

Michio Morishima (Japans 森嶋 通夫, Morishima Michio; Osaka, 18 juli 1923 – Brentwood, 13 juli 2004), Japans econoom, was hoogleraar aan de Universiteit van Osaka (1963-1968) en aan de London School of Economics (1970-1988).Morishima's werk omspande economische theorie, wiskunde en econometrie. In een driedelige reeks boeken herinterpreteerde hij David Ricardo, Karl Marx en Léon Walras in het licht van twintigste-eeuwse resultaten. In een andere reeks publicaties analyseerde hij op kritische wijze de spectaculaire groei die de Japanse economie meemaakte in de naoorlogse periode, alsmede het einde aan die groei in het 'verloren decennium,' de jaren 90.

Neoricardiaanse school

De neoricardiaanse school, ook wel sraffiaanse school, is een stroming in de economische wetenschap die in de jaren 60 van de twintigste eeuw opkwam. Grondlegger was de Italiaanse econoom Piero Sraffa, die in zijn Production of Commodities by Means of Commodities (1960) een herwaardering van het gedachtegoed van de klassieke econoom David Ricardo bepleitte. De neoricardianen worden wel tot de postkeynesianen gerekend.

De neoricardiaanse theorie verschilt van de dominante neoklassieke economie in de afwijzing van het neoklassieke kapitaalbegrip, waarvan Sraffa had aangetoond dat dit inconsistent was (zie Cambridge-Cambridgecontroverse). In plaats daarvan hanteren de neoricardianen een definitie van kapitaal die dichter bij die van Ricardo en Marx ligt. Met de marxisten verschillen de neoricardianen van mening over de arbeidswaardetheorie: deze wijzen de neoricardianen af ten gunste van een directe verklaring van prijzen als productieprijzen, zodat er geen transformatieprobleem optreedt.

On the Principles of Political Economy and Taxation

On the Principles of Political Economy and Taxation (Over de principes van de politieke economie en belastingen) (1817) is een boek door David Ricardo over economie. Het boek concludeert dat landpacht stijgt als de bevolking toeneemt. In het boek ontwikkelt Ricardo de theorie van de comparatief voordeel. Uit deze theorie blijkt dat alle landen van de vrije handel kunnen profiteren, zelfs als het een land aan in alle sectoren van de economie aan een absoluut voordeel ontbreekt.

Ricardo beweert in het voorwoord dat Turgot, Stuart, Adam Smith, Jean-Baptiste Say, Sismondi en anderen in hun werken niet genoeg "bevredigende informatie" hadden gegeven over onderwerpen als pacht, winst en lonen. De Principles of Political Economy is ogenschijnlijk Ricardo's poging om in deze lacune in de literatuur te voorzien. Ongeacht of dit werk zijn zelf verklaarde doel bereikt, verzekert dit boek volgens Ronald Max Hartwell, Ricardo's positie tussen de grote klassieke economen zoals Adam Smith, Thomas Robert Malthus, John Stuart Mill en Karl Marx.

Ontwikkelingseconomie

Ontwikkelingseconomie is het deelgebied van de economie dat zich bezighoudt met de economische aspecten van ontwikkelingsvraagstukken in ontwikkelingslanden. De focus ligt niet alleen op methodes voor het stimuleren van economische groei en structurele verandering maar ook op het verbeteren van de mogelijkheden voor de bevolking, bijvoorbeeld op het gebied van medische zorg, onderwijs en werkomstandigheden. Ontwikkelingseconomie houdt zich dus bezig met het ontwikkelen van theorieën en methodes die helpen bij de keuze van beleidsopties op zowel regionaal, nationaal als internationaal niveau. Dit kan betrekking hebben op het herconstrueren van marktstimulansen of het gebruik van wiskundige methoden voor inter-temporale optimalisering voor projectanalyse, of het kan een mix zijn van kwantitatieve en kwalitatieve methodes. In tegenstelling tot andere gebieden van de economie, bevatten benaderingen in ontwikkelingseconomie vaak sociale en politieke factoren.

Piero Sraffa

Piero Sraffa (Turijn, 5 augustus 1898 – Cambridge, 3 september 1983) was een invloedrijke Italiaans econoom, wiens boek Production of Commodities by Means of Commodities (Productie van goederen door middel van goederen) gezien wordt als het fundament en het startpunt van de neo-Ricardiaanse school binnen de economische wetenschappen.

Productiefactor

Een productiefactor is letterlijk datgene wat van invloed is op de productie, ofwel: dat wat de productie mogelijk maakt of bepaalt.

In de economische wetenschap worden traditioneel drie productiefactoren onderscheiden:

land of natuurlijke hulpbronnen

arbeid

kapitaalDe productiefactor ondernemerschap wordt soms ook tot de productiefactoren gerekend. Bovendien is er discussie gaande om nog een productiefactor toe te voegen, namelijk kennis.

Productie is de combinatie van productiefactoren met als doel het voortbrengen van een product – een goed of een dienst.

Protectionisme

Protectionisme is een stelsel van maatregelen van de overheid waarbij getracht wordt bescherming te bieden aan binnenlandse landbouw, producenten en industrieën. Veelal wordt gebruikgemaakt van invoerbeperkende maatregelen, zoals invoerheffingen en invoerquota, of wordt de binnenlandse fabrikant gesteund door subsidies. Op deze manier kunnen landen die problemen hebben met de buitenlandse handel, hun eigen producten beschermen tegen goedkopere (betere) producten vanuit het buitenland. Ook kan er een verbod ingesteld worden op het invoeren van bepaalde goederen, het zogenaamde invoerverbod. Of wordt er een maximumaantal bepaald dat mag ingevoerd worden, de contingentering. Een extreme vorm van protectionisme is isolationisme.

Of een land kan wegkomen met deze maatregelen hangt vaak af van de Wereldhandelsorganisatie. Hiervan zijn zo'n 149 landen lid, en zij legt de regels van handel tussen landen in verdragen en gerechtelijke uitspraken vast.

Een vroege vorm van protectionisme kwam voort uit de theorie van het mercantilisme. Deze politiek beschouwde economie als een nulsomspel waarbij de ene partij wint wat de andere verliest. Het legde daarom een grote nadruk op een positieve handelsbalans om de rijkdom van een land te vergroten. Thomas Mun en Engeland en Colbert in Frankrijk waren grote voorstanders van deze politiek. De Britten voerden onder meer in 1651 de Engelse Scheepvaartwetten in die de scheepvaart door niet-Engelse schepen van en naar Engeland en de Engelse koloniën inperkte en in 1815 volgden de Graanwetten.

Nadat de Britten een dominante positie hadden bereikt op de wereldmarkt, stonden zij in een positie waarin vrijhandel gunstiger was voor hen. Dit standpunt werd verdedigd door Adam Smith en de andere klassieke economen die daarbij de principes van absoluut en comparatief voordeel naar voren brachten. Protectionisme leidt volgens hen wel tot een verbeterde situatie binnen één bedrijfstak, maar het land als geheel gaat er op achteruit. David Ricardo stelde dat vanwege het comparatieve voordeel dat beide landen bij vrijhandel genieten, protectionisme bestreden moet worden.

Friedrich List zag het standpunt van Smith als te beperkt en stelde in 1841 in Das nationale System der politischen Ökonomie dat een industrie in ontwikkeling in de beginfase beschermd dient te worden tegen de buitenlandse concurrentie. Dit kan door het heffen van invoerrechten (Erziehungszölle). Voorstanders van protectionisme willen ook vaak voorkomen dat er werkgelegenheid verloren gaat in een bepaald land of proberen te voorkomen dat een bedrijfstak een bepaalde monopoliepositie verliest. Verder halen protectionisten het onafhankelijkheidsargument aan. Een land moet ervoor zorgen dat het wat productie betreft zoveel mogelijk onafhankelijk is van anderen landen. Mocht het dan in een oorlog geraken, dan kan het land zichzelf behelpen.

Een belangrijk argument voor protectionisme volgt uit de ongelijkwaardige politieke en economische relatie tussen ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden. Volgens de Dependencia-theorie houden ontwikkelingslanden zonder protectionisme een achterstand door de quasi-koloniale verhoudingen, waarbij het rijke centrum arbeid en grondstoffen onttrekt aan de arme periferie.

Ook een reden om voor protectionisme te pleiten is het spreidingsargument bij landen met een tamelijk eenzijdige productiestructuur. Door dit een breder karakter te geven, kan een land beter inspelen op de eventueel veranderde vraag in het buitenland naar vervangende producten. Dit betekent dat mensen bijgeschoold dan wel omgeschoold dienen te worden. Door het nemen van bepaalde protectionistische maatregelen wil men dit proces zo soepel mogelijk laten verlopen.

Weer een ander reden is het zogeheten 'pauper-labour'argument. Enkel en alleen met behulp van beschermende rechten zouden hoge reëele lonen en een hoge levensstandaard gehandhaafd kunnen blijven. Anders zouden arbeiders van een bepaald land bloot staan aan de hevige concurrentie van landen met een aanmerkelijk lager loonpeil, met als gevolg een sterke druk om de lonen te verlagen.Een voorbeeld van protectionisme zijn onderdelen van het Europese landbouwbeleid. Via importheffingen worden Europese boeren beschermd tegen te lage wereldmarktprijzen. Via de (melk)quotering wordt voorkomen dat er een overproductie ontstaat op de Europese markt en er overschotten moeten worden gedumpt op de wereldmarkt.

Ricardo

Ricardo is een bedrijf dat in het verleden motorfietsen ontwikkelde voor het merk Triumph.

Ricardo & Co. Ltd., later Ricardo Consulting Engineers Ltd., Shoreham-by-Sea, Brighton, West-Sussex.

Dit Britse bedrijf werd opgericht door Harry Ralph Ricardo in 1915. Indertijd vroeg Triumph steun aan Ricardo voor de ontwikkeling van haar motorfietsen. Ricardo was in staat flinke vermogens uit bestaande motorfietsen te halen, onder andere met een door hem gepatenteerde verbrandingskamer. Dit resulteerde in de beroemde vierkleps Triumph Ricardo uit 1921.

Het bedrijf bestaat nog steeds en werkt ook voor het nieuwe Triumph. Daarnaast houdt men zich bezig met allerlei verbrandingsmotoren van 50 cc tot grote scheepsdiesels, transmissies, in- en uitlaatsystemen, frames en wielophangingen.

Sociale klasse

Een sociale klasse is een groepering van mensen op basis van een soortgelijke economische positie en de daaruit volgende levenskansen.

De levenskansen worden bepaald door onder meer prestaties, maar ook door bezit. Hiermee onderscheidt de klasse zich van de stand, die vooral door afkomst en sociale status wordt bepaald. Binnen de verschillende klassen is minder gemeenschapsgevoel dan binnen een stand waar een sterke tendens is tot sociale uiting. Vaak worden de sociale klassen verdeeld in een bovenklasse, middenklasse en onderklasse.

Het begrip klasse is oorspronkelijk afkomstig uit de economie, maar is sinds eind 19e eeuw vooral onderwerp van studie in de sociologie.

In principe kan men iedere menselijke eigenschap gebruiken om een maatschappij op te delen in verschillende sociale klassen. Voorbeelden zijn beroep, opleidingsniveau, inkomen, politieke invloed, afkomst, geslacht of seksuele geaardheid.

In andere talen

This page is based on a Wikipedia article written by authors (here).
Text is available under the CC BY-SA 3.0 license; additional terms may apply.
Images, videos and audio are available under their respective licenses.